De onbeteugelde avonturen van Boekendienaar: poging tot uitputtende beschrijving van een plek in Gent

Café de la Mairie, Place Saint-Sulpice, Paris

Tijd: zondag 23 september 2017, 11u30.

Plaats: Sint-Baafsplein en het verzonken parkje aan de Stadshal.

Weersomstandigheden: zonnig, op enkele wolkenslierten na. Vrij warm (20-22°C).

Een eerste storend element is dat mensen me uit mijn concentratie halen. Meteen vraagt iemand of de stoel naast me vrij is. Ik knik. Een ander stuurt aan op een praatje over het weer. Ik schuif een beetje op, draai mijn stoel een kwartslag, leg mijn notitieboekje nadrukkelijk geopend voor me neer en bijt op de achterkant van mijn balpen. Aan de rand van een drukbezocht caféterras zit ik, net buiten de schaduw van de kathedraal, aan een rond tafeltje. Ik drink een glas rosé. Links van me rijst een metalen constructie op met reclame voor De Gentenaar en de haven van Gent. Het staat er naar aanleiding van het Festival van Vlaanderen. Onmiddellijk rechts van die constructie prijkt het logo met de uil vlak boven de ingang van een lokale Standaard Boekhandel. Links van de ingang staat een ijskar van Pierino. Op een afstandje van de kar weifelen twee mensen: zullen ze een ijsje bestellen? Ze lezen de lijst met smaken, draaien zich ten slotte om en wandelen weg. Rond de fontein, centraal op het plein, slenteren mensen. Ze nemen foto’s en kijken ogenblikkelijk op het scherm van hun toestel. Een telefonerende man kijkt een andere kant op dan de fotograferende mensen. Tram 4 passeert, richting Moscou. Het reclameopschrift ‘Speel nu online’ neemt de hele zijkant in beslag. Op nauwelijks een kwartier tijd is het caféterras volgelopen. Het baadt nu helemaal in de zon. De rosé is goed, de dosis ietwat bescheiden. Op elk tafeltje staat, naast een of meerdere glazen alcoholische drank, een asbak, maar niemand rookt. Rondom mij klinkt geroezemoes. Mensen praten op rustige toon met elkaar. Groepjes van twee, drie vier mensen passeren het terras, uitkijkend naar een plek om te eten. Vruchteloos, want nu zitten werkelijk alle terrassen vol. Met een bedroefd gezicht zetten ze hun zoektocht verder. De meeste passanten dragen een zonnebril; de zon schijnt behoorlijk fel. De gevels aan de overkant van het plein zijn gerestaureerd of nieuw, maar lijken historisch. Op de eerste verdieping van zo’n pand staan twee appartementen te koop; in het pand ernaast de woning op het gelijkvloers. Eveneens aan de overkant bevindt zich een winkel met een etalage waarop in grote letters ‘souvenirs’ staat. Links ervan ligt een hotel van de keten Ibis. Dat hotel bestaat al vele decennia en ziet er nog steeds uit als een sombere kazerne. Voor het hotel staan twee middelgrote bomen in de grond geplant. Aan de rand van het terras waar ik zit, staan twee reusachtige buxussen in potten. Links, in de schaduw van de kathedraal en omringd door een wit hek, staat, een beetje ingesloten, een redelijk hoge boom met brede kruin. Allerhande plakkaten, uitbouwsels van de kathedraal en het hek belemmeren de boom in zijn groei. Sinds enkele jaren is het Gentse stadscentrum zo goed als autovrij. Behalve trams, bussen, taxi’s en fietsers, die nu en dan ten val komen in de tramsporen, zie ik zelden rijwielen passeren, op een bestelwagen na (die ergens gaat leveren?) of een verdwaalde toerist (op zoek naar logement?). Als ik rechts langs de luifel van het aanpalende terras heen kijk, zie ik de klokkentoren van het Belfort. Goudkleurige ornamenten blinken in de zon. Op de top prijkt de draak als symbool van Gent. Als ik mijn nek een beetje verder naar rechtsachter draai, zie ik het fronton van het NTG stadstheater. Ik kijk weer voor me. Tram 4 naar Moscou passeert. Mensen met kinderwagens slenteren voorbij, de jas over de arm (het is warm). Sommigen dragen bloemen in de armen (’s zondags is er vlakbij de wekelijkse bloemenmarkt). Opvallend veel mensen, vooral ouderen, zijn op zijn zondags gekleed. Zijden sjaals, opgeblonken schoenen en wolken parfum zijn niet ongewoon. Anderzijds zijn er ook sjofel gekleden: op sandalen, in eenvoudige shorts en floddertrui. Hier en daar steekt een opzichtige parasol in de lucht, waar telkens een Aziatisch type onder loopt. Een vrouw met lange zwarte krullen, geheel in het zwart gekleed, stopt in het midden van het plein en begint rond haar as te draaien terwijl ze filmt. De meeste fotograferende en filmende mensen vergeten om voor- of nadien ook zonder behulp van een lens te kijken. Aan het tafeltje naast het mijne heeft een Duitstalig viertal zonet plaats gemaakt voor een stel twintigers met een baby, opgedoft met een roze jasje en een wit, gebreid mutsje. Het stel spreekt niet, tenzij in brabbeltaal tegen de kleine. Een menigte verlaat de kathedraal in groepjes, uitwaaierend over het plein. Een albatros-tram passeert, rijdt richting Muide en toont tientallen meters reclame voor het woonproject Tondelier. Het is werkelijk zomers warm. Passanten lopen er opvallend fleurig bij, in wapperende broekspijpen, gestreept hemd of gebloemde jurk. Sommigen dragen een strohoed met gekleurd lint of een pet, achterstevoren op het hoofd. Hier en daar zie ik teenslippers. De huid van enkelingen is getaand, waarschijnlijk vanwege een vakantie aan zee, dat zie je aan de diepte van hun tint. Aziaten dragen doorgaans een zonnebril en fotograferen het meest. De meeste mensen op het plein ogen energiek. In een gezapig tempo rijdt een ambulance voorbij. De lucht is nu helemaal wolkenloos en van een waterachtig lichtblauwe kleur. De stad voelt licht en luchtig aan bij circa 22°C. In de ruit van een interieurwinkel aan de overkant van het plein zie ik de menigte weerkaatst. Mensen lopen als donkere schaduwen voorbij of hurken om te fotograferen. De meeste passanten slenteren diagonaal over het plein; weinigen lopen doelgericht in een rechte lijn van de ene naar de andere zijde. Uit een brasserie aan de kant van het plein waar ik zit, komt de geur van gebraden vlees, van gefrituurde en gewokte gerechten. Een man met een enorme grijze knevel, blauwgeruit hemd en rugzak, loopt met de voeten op tien voor twee slenterend voorbij. Stilaan voel ik de vermoeidheid toeslaan. Ik zie nog slechts een fractie van al wat er te zien is. Ik bestel een tweede glas rosé met een schaaltje olijven. Mijn aandacht voor de permanent wemelende, bonte collage in mijn blikveld, verslapt enigszins. Een kleine oranje vuilniswagen rijdt voorbij met twee fietsers in zijn kielzog. Er staat opnieuw iemand bij de ijskar. Ook deze persoon lijkt niet te kunnen beslissen, draait zich om en loopt weg (benieuwd welke smaken er vandaag uithangen). Vier Gentenaars aan het tafeltje achter me praten met volle mond. Drie van hen eten rood vlees met frietjes, de ander vis op en toren van puree en krokante groenten. Twee vrouwen schuin voor me roken een sigaret en kijken door hun doorzichtige zonnebrillen mijn kant op. Ze speculeren waarschijnlijk over wat ik aan het opschrijven ben. Ik denk sowieso niet dat ik op deze manier een notitieboek wil volschrijven. Wel stel ik vast dat deze activiteit, geïnspireerd door Georges Perec, een uitstekende les is in observatiekunst. Wanneer je, louter om te registreren, bewust kijkt en luistert, springen er steeds meer details in het oog en tekenen zich automatisch patronen af. Je wordt ook alsmaar alerter en gevoeliger voor kleine veranderingen in gedrag, lichaamstaal, blikken en intonatie. Een blinde met een witte stok passeert. Hij lijkt perfect te weten waar hij heen moet. Om 14u10 reken ik af en verhuis naar de andere kant van het Belfort. Ik ga met de rug naar de zon en het gezicht naar een overbevolkt caféterras, op de betonnen verhoging zitten, die het verzonken parkje tussen de torens van het Belfort en de Sint-Niklaaskerk aan twee kanten begrenst. In het parkje staan vijftien jonge bomen. Tegen elke boom leunt iemand, vaak in kleermakerszit. Sommigen dragen een koptelefoon of hebben oortjes in. Tussen twee bomen ligt een vrouw op haar buik en leest een boek. Anderen slapen, een enkeling met ontbloot bovenlijf. Ik draai me een kwartslag naar links en zie de povere behuizing van Klokke Roeland: een ruwe, onafgewerkt ogende constructie aan de ingang van een ondergrondse fietsenstalling. Op straatniveau, onder de overkapping van de Stadshal (een verdieping hoger), weerklinkt de stem van een sopraan. De Stadshal heeft geen muren, steunt op vier enorme betonnen pilaren en heeft een spits toelopend dak. De akoestiek is er optimaal; de stem van de operazangeres klinkt krachtig, helder en draagt ver. Op het caféterras staan enkele grote stenen potten met witte en rode geraniums in torenvorm. Er staan ook twee knoestige, volwassen olijfbomen. In een ervan hangt een roze strik. De meeste terrasgangers drinken bier, anderen wijn of frisdrank. Sommigen beëindigen nu pas hun middagmaal. Het is het uur van de aflossing. Eters rekenen rustig af, drinkers komen druppelsgewijs toe, lopen eerst nog even door het parkje of de Stadshal en kijken rond. Ik zie nauwelijks gehaaste mensen. Vrijwel iedereen slentert, kuiert, sloft of staat stil. Velen hangen lange tijd op dezelfde plek rond of verplaatsen zich in functie van wat er om hen heen gebeurt. Er gebeurt veel in Gent op zondag. Op bijna elke straathoek is er wel een of ander spektakel te zien. Mensen lopen opgeruimd, verheugd rond. Ik zie niemand met een bedrukt gezicht. Iedereen lacht, glimlacht of kijkt op z’n minst tevreden. Een mannenkoor heeft intussen de sopraan afgelost. Ik hoor iemand fluisteren dat het Slovenen zijn. Ik neem een observatiepauze en ga kijken en luisteren naar het koor. Het is nu kwart voor drie. De tijd verstrijkt opvallend snel als je onophoudelijk actief en bewust observeert. Ik ben moe. Mijn hoofd is volgepropt met informatie en doet een beetje pijn.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: