Lotgevallen van een porseleinen hondje

Afgebroken zinnen, verfrommelde, gebroken, gescheurde dingen en versleten, manke lichamen zetten de toon in De verlossers, een bijtend satirische roman uit 1985 van de Amerikaanse schrijver William Gaddis. Spil in het verhaal is het echtpaar Paul Booth en Elizabeth (Liz) Vorakers. Hij: een onbehouwen, egomane, verminkte Vietnamveteraan. Zij: een astmatische, roodharige telg van een rijke familie. Paul, ooit loopjongen van Liz’ vader (een grondstoffentycoon die zelfmoord pleegde toen een smeergeldkwestie aan het licht dreigde te komen), is met Liz getrouwd voor het geld. Zij met Paul om God weet welke reden. Samen huren ze een oud victoriaans huis met uitzicht op de Hudson. De zeldzame keren dat Paul thuis is, probeert hij als mediaconsultant via ontelbare telefoontjes zijn zaakjes te bestieren. Intussen verveelt Liz zich of holt ze voor haar kwalen van de ene naar de andere specialist. Ze doet haar uiterste best haar echtgenoot ter wille te zijn en probeert tien praktische balletjes tegelijk in de lucht te houden (hoofdzakelijk de telefoon opnemen). Ontoereikend. Tevergeefs.

In De verlossers blinken de personages uit in vergeefsheid en ontoereikendheid. Toch is het zowat de meest vitale roman die ik ooit las. Dat is mede te danken aan de ongewoon geestige manier waarop Gaddis de ene duivelse monoloog na de andere spitsvondige dialoog serveert, in suggestief, filmisch aandoend proza. De toon in de roman is afwisselend hoogdravend, zakelijk en tragikomisch; de sfeer laveert tussen grimmig, melancholisch en koortsachtig. Door de onstuimige woordenbrij, het gevloek, het gesakker en gezucht heen, weeft Gaddis verstilde tableaus in een schitterend contrast, wat zich tot een uniek geheel vervlecht.

De roman speelt zich bijna volledig af tussen de muren van het oude huis aan de Hudson, waar de telefoon, de post, de krant, de televisie en huiselijke ruzies het leven der echtelieden bepalen. Via honderdeneen telefoontjes probeert Paul geld voor zijn onderneming binnen te rijven. Zakelijke en politieke belangen zijn dé reden van zijn bestaan. Louter om zakelijke redenen wil Paul een mediagenieke kruistocht op poten zetten voor dominee Elton Ude, een invloedrijke godsdienstfanaticus uit het diepe Zuiden. Risico’s nemen op financieel gebied (de bedragen lopen intussen in de miljoenen) zit Paul in het bloed, waardoor het overspannen echtpaar op de rand van het faillissement balanceert. Verwikkeld in allerlei rechtszaken en omkoopschandalen, ruziën ze over Liz’ erfenis, die in een trustfonds geblokkeerd zit. Paul wijst de schamele dokterskosten van zijn echtgenote aan als dé oorzaak van al hun financiële problemen. ‘Als je al die rekeningen bij elkaar optelt kun je godverdomme zelf een dokter kopen, zolang je niet in het ziekenhuis ligt doen ze van de verzekering alsof je niet bestaat kun je daar niet gewoon een tijdje gaan liggen?’ Ook valt hij uitentreuren over de dertig dollar voor de poetshulp.

Liz’ pogingen om het ook eens over de menselijke kant van de dingen te hebben ten spijt, gaan de gesprekken tussen de echtelieden in wezen alleen over geld. Paul wil zelfs een rechtszaak tegen zijn vrouw inspannen omdat ze na een vliegtuigongeluk niet meer aan haar echtelijke plichten kan voldoen. Pauls obsessie met geld infecteert alles, schuilt in heel wat details: ‘hij keek haar aan, zo vriendelijk als een goedkope nieuwe schoen’. Paul raast en ratelt maar door. Liz ondergaat zijn tirades gelaten, staart naar buiten, naar de zwerfhond, de moerbeiboom of een kat die in de struiken op de loer ligt. Ze zit gevangen in een zakelijk huwelijk met een bullebak, maar in haar binnenste woedt een storm, flitst het weerlicht, raast de wind, spelen zich hele romans af. Liz kanaliseert haar hunkering naar een vervullend leven in het schrijven van een roman. Ze schrijft omdat de dingen niet blijken te zijn wat ze ervan had gehoopt.

In Pauls ogen kan Liz niets goed doen. Ze snapt niets, heeft foute vrienden en gooit het geld uit ramen en deuren. Ook Edie, Liz’ zweverige, serieel monogame vriendin moet het ontgelden. Op het eerste gezicht lijkt Liz stukken menselijker dan haar hysterische echtgenoot, maar gaandeweg blijkt dat ook zij een meedogenloze machtsstrijd voert. Vaak overstemt ze Pauls verbale vuurpijlen met subtiele stiltes en achteloze gebaren. Het huis aan de Hudson fungeert als arena, waar Paul en Liz een diabolische strijd voeren, om beurten terrein winnend of verliezend. Hij strijdt impulsief, met open vizier. Zij laat niet in haar kaarten kijken, put uit een geheel ander vaatje, zet andere wapens in.

Het eerste deel van de roman is een groteske opvoering die bol staat van emotionele chantage, manipulatie, paranoïa, laster en bedrog. Het decor: de voordeur (waar af en toe een mysterieuze gebogen gestalte naar binnen loert), de spiegel in de slaapkamer (waar Liz de confrontatie met zichzelf aangaat), het defecte toilet, de love seat in de woonkamer en de keuken (als onuitputtelijke bron van whisky on the rocks en koude kip). Nu en dan verschijnt een nevenpersonage ten tonele: een oude zwerfhond in de voortuin, een gebroken porseleinen hondje (dat bij elke aanraking verder afbrokkelt), Liz’ chaotische broer Billy (een verachtelijke klaploper volgens Paul: ‘die knakker krijgt een laars vol pis nog niet leeggegoten al schrijf je de instructies op de zool’), de stroeve poetshulp Madame Socrate (met wie Liz in gebroken Frans schimmige conversaties voert), de louche huisbaas en geoloog McCandless (nu eens volkomen onbereikbaar, dan weer zich ongevraagd toegang verschaffend tot de woning om er in een afgesloten ruimte zogezegd ‘op te ruimen’).

Zowel broer Billy als huisbaas McCandless blijkt even gehaaid als Paul. McCandless (een landverrader volgens Paul), probeert tevergeefs informatie uit Liz los te peuteren. De CIA zit achter hem aan (de nasleep van een bedenkelijk verleden in Afrika). Terwijl Paul op zakenreis is, legt Liz het aan met McCandless, uit hang naar romantiek. Al die verwikkelingen blijven niet zonder gevolg: een roofoverval op Paul, brandstichting in de straat, een mislukte moordaanslag en een inbraak in het huis aan de Hudson. Intussen krijgt de lezer in talrijke nevenverhaallijnen een resem puzzelstukjes aangereikt. De kluwen aan verhaallijnen vereist hoe dan ook een helder hoofd.

Liz en Paul wantrouwen elkaar als de pest en praten naast elkaar, tegen een muur of in het ijle. Dat wederzijdse wantrouwen uit zich in hilarische passages, veeleer fragmenten: ‘Hij zette het glas aan zijn mond en liet het weer zakken, veegde met een hand over zijn lippen – hoe komt het dat ik altijd het glas krijg met een stukje eraf? Liz?’ Tussen neus en lippen probeert Liz kleine, praktische dingen te melden, maar luisteren doet Paul toch niet. Hooguit dringt een fractie van wat ze zegt tot hem door, zorgt een halve seconde voor consternatie en lost meteen op in het niets, zodra het volgende telefoontje, de volgende accute financiële kwestie zich aandient.

Het schitterende aan dit boek is dat er tot halverwege niets gebeurt. Er wordt slechts gebakken lucht verkocht. Alle personages gebruiken elkaar en verschuilen zich achter een missie. In de tweede helft van de roman volgt dan weer een duizelingwekkende stortvloed aan informatie. In afwisselend harde feiten en holle frasen, monologen en dialogen, wordt zowat elk ‘groot’ maatschappelijk thema aangekaart, van godsdienstfanatisme, kapitalisme en communisme, corruptie, racisme, seksisme, kolonialisme en machtsmisbruik, over propaganda, de evolutieleer, zwendel, spionage, oorlogen, veiligheidsdiensten en vredesactivisme, tot drugshandel, huiselijk geweld, prostitutie, overspel en drankmisbruik. Chaos ontvouwt zich én beheerst de hele wereld, terwijl de personages zich vastklampen aan de illusie van orde en een niet aflatende, onderlinge strijd. Zo bijvoorbeeld: Paul versus McCandless, twee keerzijden van dezelfde medaille, verdwaald in hun eigen bombastische retoriek en ‘ontoereikende daadkracht’. Of zij beiden versus de schijnbaar ongenaakbare Liz, vergeefs zoekend naar betekenis, naar ‘relevantie in de kleinste details’. Tot Liz (op pagina 244), het eindelijk durft uit te spreken: ‘Je kletst maar wat, hè’. Grandioos!

De verlossers biedt een inkijk in de duistere driften van de mens, waaruit geen ontsnapping, waarvan geen verlossing mogelijk is. Frank Lekens leverde met zijn vertaling een hallucinante prestatie, niet het minst in de laatste vijftig pagina’s, waar Gaddis nog een versnelling hoger schakelt. Daar overspeelt Gaddis mogelijk zijn virtuoze schrijfhand en wordt het aartsmoeilijk niet te verzuipen of het spoor niet bijster te raken. Het opgedofte circus ontaardt in een woeste dollemansrit, waarna menig lezer zich ongetwijfeld zal moeten laten reanimeren.

William Gaddis: De verlossers, Uitgeverij Kievenaar, 2024, 272 p. Vertaling van Carpenter’s Gothic door Frank Lekens. ISBN9789083249711.

Plaats een reactie

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑