
Hoe ziet een gewaarwording eruit die het denken, de taal, de intentie voorafgaat? Door een begripslabel toe te kennen aan wat we waarnemen, verabsoluteren we het waargenomene. Door het te benoemen, splitsen we het op in van elkaar gescheiden materiële dingen, gestolde identiteiten en reduceren we het tegelijk tot mentale voorstellingen ervan. Het abstracte wordt dan concreet. We veralgemenen het en gaan voorbij aan het bijzondere, eenmalige en vergankelijke ervan. Het waargenomene wordt herleid tot eigenschappen van een ‘verondersteld object’ (bv: grijze wolk, rode tomaat), terwijl we in de primaire fase van waarnemen geen afzonderlijke objecten gewaarworden, wel een krachtenveld van klanken, kleuren en andere waarneembare kwaliteiten die in elkaar overlopen en op elkaar inwerken. Wat we benoemen is altijd iets wat zaken met elkaar gemeen hebben, iets algemeens. Dat algemene is een voorstelling van het denken, niet datgene wat we waarnemen. Voorstellingen zien we niet, die zitten in ons hoofd. Wat we ‘echt’ zien zijn fragmenten, afschaduwingen en hun dynamiek. Het kijken naar kunst is daarvan een goed voorbeeld. In een spel van licht, beweging en ritme, ervaren we contrasten en overgangen, nog voor we losse objecten zien.
Prereflexief’ of ‘zuiver waarnemen’, hoe doen we dat? En hoe ziet een woordeloos bewustzijn eruit? Om dit bewust te kunnen ervaren, stelt Jan Bor in zijn filosofische essay Waarnemen, moeten we loskomen van de tegenstelling binnenwereld-buitenwereld en een subjectloos standpunt innemen. Stel het je voor als een stroom waarin het waargenomene en de waarnemer, zonder afstand in ruimte of tijd, samenvloeien en een onbestemd geheel vormen. Bor verwijst in zijn essay herhaaldelijk naar de fenomenologie (Merleau-Ponty, Bergson, Deleuze,…) en naar de moderne kunst, met name het impressionisme en kubisme, waar tegendelen elkaar niet uitsluiten – zoals in het denken gebeurt – maar elkaar net insluiten. Als je het subjectperspectief verlaat, schuiven tijd en ruimte automatisch in elkaar. Een pionier in het verbeelden daarvan was Cézanne. Hoe langer, hoe dieper hij keek, des te meer werd hij de berg Saint-Victoire, inclusief de veranderende luchten en rotsige bodem. Malevitsj ging nog een duizelingwekkende stap verder. Met ‘wit op wit’ schilderde hij zich door de afgrond van het niets heen. Zwevend in een peilloze diepte ervoer de kunstenaar er zijn innerlijke vrijheid. De enige taal die iets van dit mysterie uitdrukt is de taal van de paradoxen, waar ‘begrippen die zichzelf uitwissen, buiten de taal wijzen’. Samuel Beckett onderzocht die taal tot in het extreme in Worstward Ho (Ergstwaarts vooruit).
Nog een stap verder: kan het prereflexieve waarnemen zichzelf waarnemen en dus bewust zijn, zonder dat er denken (en dus oordelen) aan te pas komt? Volgens Bor kan dat soort waarnemen alleen meditatief van aard zijn. Wanneer we mediteren is het denkende ik niet meer het centrum van de wereld. Begrenzingen in tijd en ruimte vallen weg. Er is louter ontvankelijkheid en de wiskundige orde wordt verlaten. De omkering van het ik-perspectief gaat volgens Bor onvermijdelijk gepaard met een existentiële crisis, een periode waarin de grond onder onze voeten wegvalt, we door het subject heen zakken en het denkende zelf dat we meenden te zijn de onbegrensde leegte binnentreedt. We weten niet meer wie we zijn; alle zekerheden vallen weg. We staren in een lege spiegel. Wat nu als die lege spiegel in zichzelf kijkt?
Jan Bor: Waarnemen, Prometheus, 2024, 144 p. ISBN 9789044655247.
Plaats een reactie