Liefde in tijden van afwezigheid

 

1929. Sinds een maand verblijft Sandu in Parijs. De zon is net ondergegaan in de Jardin du Luxembourg. Sandu is bijna volmaakt gelukkig. Thuis, in Boekarest, heeft hij Irina achtergelaten die van hem houdt. Plichtsgetrouw schrijft hij haar. Wanneer op een dag haar brieven uitblijven, verandert Sandu’s onverschilligheid in grote bezorgdheid.

Anton Holban (1902-1937) was een van de grondleggers van de moderne roman in Roemenië. Hij studeerde Franse taal- en letterkunde en bracht enige jaren door in Parijs. Sterk beïnvloed door Proust en de Franse avant-garde legde Holban zich toe op psychologische, semi-autobiografische literatuur. In Een dood die niets bewijst, een Proustiaanse parel die pas nu, dankzij een indringende vertaling van Jan Willem Bos, tot ons taalgebied doordrong, verkent Holban de liefde nagenoeg uitsluitend rationeel. Sandu, de protagonist en Holbans alter-ego, is een intellectuele kunstenaar die zichzelf voortdurend kwelt met zijn obsessieve zoektocht naar authentieke gevoelens.

Sandu denkt terug aan de tijd dat hij en Irina elkaar pas kenden. Ze hadden dingen gemeen, maar er was niets aan haar waarvan hij jaren later nog onder de indruk was. Irina bezat geld, intuïtie, smaak noch schoonheid. Ze was ordinair. Haar omgang met pretentieuze zwetsers en opgesmukte paspoppen; goedkoop vertier; weinig intellect: het stond hem allemaal tegen. Irina hield waanzinnig veel van Sandu, praatte hem voortdurend naar de mond; een eigen mening had ze niet. Toch kwam het einde van hun liefde Sandu als iets vreselijks voor. Zijn angst alleen te blijven en Irina samen met anderen te zien, bracht hem ertoe alle absurditeit te verdragen.

Over Sandu’s achtergrond geeft Holban weinig prijs. Het enige wat we weten is dat hij opgroeide in een burgerlijk, intellectueel milieu, met veel aandacht voor de schone kunsten. Zijn levensgeschiedenis en zijn beleving van de relatie met Irina fluctueren voortdurend en hangen sterk af van wat er met Irina gebeurd is. Kwam ze om bij een ongeval? Trouwde ze met een ander? Maakte ze zich omwille van hem van kant?

In Sandu’s afwezigheid maakte Irina plezier, gedroeg zich zorgeloos. In zijn aanwezigheid onderwierp ze zich zonder enig verzet. Hij hoefde haar maar te kwetsen of te vernederen en ze lag weer aan zijn voeten. Sandu stond er niet bij stil dat ‘herhaling daarvan diepgaande en onherstelbare transformaties zou kunnen bewerkstelligen’. Hij strafte haar voor zijn eigen besluiteloosheid, kleineerde en minachtte haar openlijk. Hun gesprekken bestonden uit monologen zijnerzijds en bewonderende instemming van haar kant. Hij had voldoende aan zijn gemoedsaandoeningen; zij blijkbaar ook. Op momenten dat zij in huilen uitbarstte en hij met haar te doen had, vielen ze elkaar hartstochtelijk in de armen.

Om Irina mild te stemmen, legde Sandu haar uit dat zijn artistieke temperament de oorzaak was van zijn ongedurige gedrag: ‘Een dergelijk temperament dient met rust te worden gelaten en moet niet worden geketend met burgerlijke hebbelijkheden’. Waarop Irina opnieuw in huilen uitbarstte. En zo ging dat verder, zonder enige vooruitgang in hun relatie. Gezien de onmogelijkheid een uitweg te vinden, dacht Irina vaak aan de dood.

Sandu spant zich in om Irina te reconstrueren zodat hij kan begrijpen wat ze heeft gedaan. Hij spit in zijn geheugen, gooit alle herinneringen op een hoop, vindt geen chronologie terug en vervaardigt dan maar een vreemd schepsel dat Irina moet voorstellen. Zijn zoektocht naar het wezen van Irina leidt hem telkens weer naar zichzelf: wat is authentiek, wat zelfbegoocheling? Welke uitspraken waren van haar; welke overpeinzingen van hem? Het ergert Sandu dat hij niet weet waar Irina eindigt en hij begint. Hij komt tot een voorlopig besluit: dat Irina niet in staat was de dood naar waarde te schatten, dus dat haar dood slechts middelmatig zou kunnen zijn.

De innerlijke monoloog als verhaaltechniek, het rationaliseren van de gevoelswereld van zijn personages en de ironische ondertoon heeft Holban gemeen met modernistische tijdgenoten als Max Blecher en Mihail Sebastian. Hun personages ondernemen nauwelijks iets, ze geven zich over aan hun gedachten, gevoelens en inzichten. De onkenbare werkelijkheid leidt bij hen tot een denkbeeldige werkelijkheid.

Sandu vergelijkt zichzelf met Proust. Of Prousts bekoring zijn geestelijke gesteldheid verheldert dan wel compliceert, weet hij niet. ‘Proust kleedt ons in kleren die niet passen.’ Sandu aarzelt niet om met een beschuldigende vinger naar de literatuur te wijzen: ‘We leven in illusies en vervolgens bevalt de werkelijkheid ons niet.’ Hij neemt alles waar door de filter van de literatuur en kan geen normale visie hebben op de tastbare wereld.

Gaandeweg worden Sandu’s herinneringen zoeter, milder. Hij laat mondjesmaat mooie momenten toe die hij en Irina samen beleefden: hun vakantie in de bergen, hun schitterende wandelingen tussen de geurige sparren. ‘Er zat veel poëzie in ons samenzijn, zo voelde ik dat tenminste.’ In Parijs dringt zich intussen de ultieme leegte aan Sandu op. Mistroostig dobbert hij in een bootje op de Seine. Het ergste is de jaloezie: haar met een ander verbeelden. Dan zag hij haar nog liever dood.

Mondjesmaat begint Sandu zijn eigen tekortkomingen te onderkennen. Hij beseft dat hij boosaardig is en zich kil, bot, sarcastisch en leugenachtig gedroeg tegenover Irina. Hij kan niet inschatten hoeveel pijn het vernemen van slecht nieuws hem zal berokkenen. Anderzijds frustreert hem de gedachte dat hij Irina vijf jaar intellectuele scholing heeft gegeven, wat nu allemaal voor niets geweest is. Heen en weer geslingerd tussen egocentrisme en kortstondige vlagen van empathie, is Sandu niet in staat zijn ware gevoelens te peilen. Dag na dag schrijft hij in zijn dagboek, volgt Proustiaans de rode draad van zijn pijn.

Sandu verliest zich in hysterie, wordt impulsief. Hij neemt een roekeloos besluit en lijkt recht naar de afgrond te koersen. Slaagt Irina er uiteindelijk in het hele bouwwerk van Sandu’s vooronderstellingen te doen instorten? Misschien. Misschien niet. Sandu is immers een doorgewinterde fantast, manipulator en Proust-imitator. Bedrog en zelfbedrog in stand houden is voor hem een koud kunstje.

Anton Holban: Een dood die niets bewijst, Uitgeverij Pegasus, Amsterdam 2019, 144 p. Vertaling van O moarte care nu dovedeşte nimic door Jan Willem Bos. ISBN 9789061434559.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: