Ik is een ander

In zijn oude huis in Dylgja ziet Asle zichzelf kijken naar ‘Andreaskruis’, het schilderij met de twee strepen, één lila en één bruin. Waar de strepen elkaar kruisen, vermengen zich de kleuren en licht het schilderij op. Sinds de dood van zijn vrouw Ales heeft Asle zich teruggetrokken in het woordloze schilderen. Net zoals in een goed beeldend kunstwerk vorm en inhoud een onzichtbare eenheid tot stand brengen, smeedt de geest een eenheid van lichaam en ziel in de onderhand roemruchte septologie van de Noor Jon Fosse (1959).

Na De andere naam (Septologie I-II) verscheen zopas Ik is een ander (Septologie III-V), in een uitgepuurde vertaling van Marianne Molenaar. Wie het eerste boek las (waarvan je hier de bespreking kan lezen: https://geendagzonderboek.com/2019/12/10/fuga-in-woord-en-beeld/), zal de verwijzingen in het tweede beter begrijpen. In beide boeken hanteert Fosse een ritmische, volstrekt eigen taal, met een eenvoudige woordenschat en wemelend van herhalingen. In de tekst staat geen enkele punt en duiken hoofdletters op onverwachte plaatsen op. Elk deel van de septologie begint met quasi dezelfde woorden: ‘Ik zie mezelf staan kijken naar het schilderij met de twee strepen die elkaar ongeveer in het midden kruisen’. Christelijke symboliek zit sterk vervlochten in Fosses werk.

Enkele dagen eerder was Asle naar BjØrgvin gereden om schilderijen af te geven bij galerie Beyer, waar hij ieder jaar rond kerst een tentoonstelling houdt. Eergisteravond verdwaalde hij er in een sneeuwstorm en vond de andere Asle op straat, door een delirium bijna doodgevroren. Asle bracht zijn naamgenoot (die eveneens kunstenaar is en er net hetzelfde uitziet als hij – later in het boek zal hij hem ‘zijn Naam’ noemen) naar het Ziekenhuis en ontfermde zich over zijn hond, Brage. Ondanks de voorspelde sneeuwval, zal Asle ook vandaag naar BjØrgvin rijden om de rest van zijn schilderijen bij Beyer af te leveren en de andere Asle te bezoeken in het Ziekenhuis.

Buurman Åsleik staat in de deuropening en probeert Asle het tochtje naar BjØrgvin uit het hoofd te praten, terwijl hij naar Andreaskruis kijkt, het schilderij met de twee strepen die elkaar kruisen. Van Asle mag Åsleik ieder jaar in de adventstijd een schilderij uitkiezen om aan zijn zus, Guro, cadeau te doen. Dit jaar wil hij net dat ene schilderij dat Asle zelf wil houden. Hoewel Asle Andreaskruis al gesigneerd heeft, is het schilderij misschien nog niet af. Het blijft zijn schepper bezighouden, het verwoest hem. Åsleik helpt Asle de schilderijen voor Beyer in witte lakens wikkelen. Het zijn net lijkwaden. Ook dit jaar vraagt Åsleik of Asle met hem meegaat om kerst te vieren bij zijn zus. Misschien moet Asle dat dit jaar maar eens doen. Bij Guro hangt immers een aanzienlijk deel van zijn werk.

Fosses personages zijn uiterst spaarzaam met woorden en handelingen. Zo ze al iets zeggen, is het vaak niet meer dan ‘ja’ of ‘het lijkt erop’ en hun zeldzame bewegingen zijn veel trager dan gebruikelijk, lijken soms zelfs achterwaarts te gaan. Door Fosses techniek van herhaling worden beelden ‘teruggespoeld’ en opnieuw getoond. Geen van de personages lijkt zich te storen aan de overvloedige stiltes en het gebrek aan actie. Niet woorden of daden, wel beelden creëren betekenis in Fosses werk. ‘Het is alsof er ergens in mij één beeld bestaat dat mijn diepste innerlijke beeld is, en dat ik steeds weer probeer tevoorschijn te schilderen’. Het innerlijke oerbeeld, als sublieme abstractie, is ‘als het ware alle andere beelden en trekt ze min of meer naar zich toe’. Asle vergelijkt dat oerbeeld met God en denkt dat hij het zal vernietigen zodra hij er binnengaat, want ‘hij die God ziet sterft’.

Wat zich in werkelijkheid in hooguit enkele seconden op een bepaalde plaats afspeelt, rekt Fosse op in tijd en ruimte. Hij laat momenten migreren, waar Asle ze wil vasthouden. Het beeld van zijn zus Alida, die op een dag zomaar dood in bed lag, of dat van zijn overleden vrouw Ales, kan hij maar niet loslaten. Asle en Ales ontmoetten elkaar op de Kunstschool. Voor haar bekeerde hij zich tot het katholieke geloof en stopte hij met drinken.

Asle ziet zichzelf als kind staren naar een wit doek. Het enige wat hij kon was tekenen en schilderen. Op zijn vijftiende besliste hij om alleen nog de beelden in zijn hoofd te schilderen. Later zou hij die beelden een voor een wegschilderen. Maar sommige deden zoveel pijn dat hij ze niet via zijn handen op het doek kreeg. Asle ontmoette zijn Naam toen hij op kamers ging. De andere Asle was toen al toegelaten op de Kunstschool. Onmogelijk kon je tussen beide kunstenaars het verschil zien. Ze droegen dezelfde kleren en wilden allebei wat verdwenen was op een bepaalde manier zichtbaar maken in hun schilderijen.

Als een lijkgraver in het zwart gekleed rijdt Asle naar BjØrgvin en gaat er in dezelfde Cafetaria eten als enkele dagen geleden. Opnieuw ziet hij er de vrouw die hem meent te kennen. Ze draagt de naam Guro, net als Åsleiks zus. Asle voelt zich leeg en moe. Hij heeft geen zin meer om te schilderen en mist Ales. Bij de andere Asle mag hij niet op bezoek. Zijn Naam ligt op sterven. Asle keert huiswaarts; de angst grijpt hem naar de keel. Alleen in Brages hondenogen vindt hij nog wat hij zoekt: stilzwijgend begrip. Zijn gebed wordt hartstochtelijker. Het liefst wil Asle zichzelf vergeten en verbergen in iets groters, in ‘Gods stilzwijgen’.

Wat hij in De andere naam reeds introduceerde, verfijnt en verdiept Fosse in Ik is een ander. Ook in dit tweede boek krijg je de indruk in een wereld te stappen die niet overeenstemt met de zintuiglijk waargenomen werkelijkheid. In een tijd die ons sterk confronteert met de essentie van het bestaan, is het interessant om Fosses werkelijkheid grondig te verkennen, als de vrucht van zintuiglijke waarneming in een prikkelarme omgeving. Fosses manier van schrijven refereert aan stilte, traagheid en de oeroude vertrouwdheid met eenvoud en rituelen. Terloopse humor en de culinaire interventies van buurman Åsleik brengen lucht in het verhaal. Hilarisch zijn de (herhaalde) momenten waarop de slapende hond Brage van Asles schoot op de grond valt, wanneer hij weer eens verstrooid van zijn stoel opstaat, opgeslokt door de beelden in zijn geest.

Een andere techniek en prachtvondst van Fosse is de verdubbeling van zijn personages. Twee versies van eenzelfde persoon kruisen elkaars pad, waardoor fysieke grenzen vervagen, identiteiten vervloeien en nieuwe mogelijkheden zich ontvouwen. Wanneer Asle naar zijn Naam kijkt, kijkt hij in feite naar zijn andere ik, observeert hij een andere mogelijkheid van zichzelf.

Fosses septologie is een vorm van meditatie die begint bij het kijken. Voor Asle werd schilderen een gebed, immanent en transcendent tegelijk. Naarmate hij zijn blik scherpte, werden zijn schilderijen abstracter. Toen openbaarde zich de eenheid. Wat het woord doodt, maakt de geest levend. En uit dat ene beeld, Andreaskruis, sprak woordeloze kracht. Ik is een ander vormt samen met De andere naam een soort Andreaskruis. Waar ze elkaar kruisen, licht het kunstwerk op.

Jon Fosse: Ik is een ander – Septologie III-V, Uitgeverij Oevers, Zaandam 2021, 296 p. Vertaling van Eg er ein annan – Septologien III-V door Marianne Molenaar. ISBN 9789492068514.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: