Waarheid en angst

Zijn brits is iets harder, het eten smakelozer en hij komt minder vaak in de buitenlucht. Kalls gevangenschap verschilt niet zoveel van zijn vroegere leven als vrij man in de Wereldstaat. Anderzijds hoeft hij voor niets bang te zijn, zolang hij maar de orderegels respecteert. Net geen veertig is de chemicus Leo Kall wanneer hij zijn verhaal neerpent.

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog schreef de Zweedse Karin Boye (1900-1941) met Kallocaïne een markante visionaire roman. De totalitaire Wereldstaat die zij gestalte geeft in deze dystopie met alle allures van een klassieker, is geïnspireerd op de stalinistische Sovjet-Unie en het nationaalsocialistische Duitsland. Boye was zeer verontrust door de uniformiteit, de propaganda, het militarisme en de alomtegenwoordige angst om aangegeven te worden. Kort na publicatie van haar roman pleegde ze zelfmoord. Wat Kallocaïne onderscheidt van andere grote dystopieën als 1984 (G. Orwell), Brave New World (A. Huxley) en Wij (J. Zamjatin), is de onverdeelde aandacht voor de psychische ontwikkeling van haar hoofdpersonage.

Wantrouwen is het fundament van de Wereldstaat. Elke burger in de Staat is tevens soldaat én politieagent. De interne veiligheid dient permanent beschermd; een beëdigd en streng gecontroleerd ambtenarenapparaat ziet toe op de goede gang van zaken. Overal en altijd – zelfs in de slaapkamer – waken het politieoog en -oor. Niemand praat nog met een ander in het openbaar. Zelfs degene met wie je het meest vertrouwd bent, kan een verrader zijn. Een verrader geef je aan bij de politie. Kan er sprake zijn van liefde in zo’n wereld?

Leo Kall meent van wel. Als vrij man kreeg hij, samen met zijn echtgenote Linda en hun kinderen een woning toegewezen in zijn ondergrondse werkdistrict. Nu en dan krijgen ze toestemming om zich bovengronds te begeven. Ook binnen zijn gezin heersen argwaan en spanningen. Ondanks hun troosteloze emotionele leven, klampen Linda en Kall zich aan elkaar vast. De meeste van hun leeftijdgenoten scheiden zodra hun kinderen oud genoeg zijn voor het kinderkamp. Ver weg van hun ouders, leren kinderen strategisch denken en wapens hanteren. De Staat voert altijd ergens een schimmige oorlog. Strenge maatregelen en bestraffing van een gebrek aan loyauteit kunnen aldus onafgebroken gerechtvaardigd worden.

De samenleving in de Staat is compleet vergeestelijkt, steriel en stabiel. De onzekerheid tegenover de machten van de Natuur werd bedwongen. Cultuur is iets voor ‘tijden waarin er geen gevaar dreigt’ (tijden die mogelijk nooit terugkeren). Zonder morren hebben de burgers zich neergelegd bij de allesomvattende beperking van hun bewegingsvrijheid. Hun individuele opofferingen dienen immers een hoger doel: de gemeenschap.

Als trouw soldaat en toegewijd wetenschapper vindt Kall het volkomen verdedigbaar dat ieders diepste gedachten en gevoelens kenbaar zijn: die zijn immers geen privézaak maar bezit van de gemeenschap. Kall ziet de Wereldstaat als iets organisch, een lichaam. Hij ontwikkelt een middel dat de veiligheid van dat lichaam zou kunnen waarborgen. Wie met Kallocaïne geïnjecteerd wordt, komt in een roes terecht en zal zonder enige remming zijn geheimen verraden. Kall krijgt de toestemming zijn uitvinding te testen op proefpersonen van de Vrijwillige Offerdienst. Onder invloed van het middel laten zij menselijke emoties als angst, verdriet, verlangen en extase zien, wat Kall vervult met afschuw en plaatsvervangende schaamte – maar ook met afgunst.

Waarom niet iedereen verplichten tot een jaarlijks Kallocaïneonderzoek? Kall houdt bij het Ministerie van Politie een hartstochtelijk pleidooi voor grootschalig gebruik van Kallocaïne en een ‘wet tegen staatsvijandige gedachten en gevoelens’, ter vervanging van de gangbare rechtbankprocedure, zelfs al zou dat dwangarbeid voor twee derde van de bevolking tot gevolg hebben. Ook bij het Ministerie van Propaganda klopt hij aan. Als de propaganda goed wordt gevoerd, kan de angst een ‘hulpmiddel van onschatbare waarde’ zijn voor de Staat, vooral op crisismomenten. Kallocaïne zou weleens de laatste schakel naar de perfectie kunnen zijn.

Dankzij de experimenten komen Kall en zijn collega’s op het spoor van een ondergrondse beweging; ze proberen te achterhalen wat de leden van die beweging gemeenschappelijk hebben. Ze kunnen de verklaringen van sommige proefpersonen niet vatten. Het warme, intense wezen van deze mensen – ze lijken wel ingewijden van een ‘dwazensekte’ – verontrust Kall. Uitspraken als ‘wat organisch is, hoeft niet georganiseerd te worden’ en ‘jullie bouwen van buitenaf, wij van binnenuit, als bomen’ brengen hem in verwarring. Hij wil achterhalen wat de kern van hun waanzin is, want zaak is te voorkomen dat anderen vergiftigd raken door de wanen van deze dwazensekte.

De meeste leden van de ‘dwazensekte’ leven in een onbewoonbaar verklaard en onbereikbaar gebied en zijn erin geslaagd de dynamiek te doorbreken waardoor eenzaamheid eenzaamheid voortbrengt en angst angst. Ze koesteren een volstrekt andere levenshouding, zijn niet georganiseerd, kennen geen hiërarchie en hebben geen leerstellingen. Toch lijken ze allemaal verbonden met elkaar, als schimmeldraden van een zwamvlok. Voor Kall is het duidelijk dat zo’n wereld niet bestaat, niet kan bestaan, niet mag bestaan.

Intussen wordt de ene na de andere medesoldaat aangegeven voor banaliteiten. De uitvoerders van de onderzoeken kunnen de ellenlange rijen niet meer bolwerken. Kall, een man van principes, ziet zich steeds vaker geconfronteerd met dingen die hem een gevoel van ‘troosteloze leegte’ en zinloosheid geven. Diep in zijn hart sluimert een verlangen. Kan hij nog vermijden dat hij op een dag onder zijn eigen Kallocaïnespuit terechtkomt?

Meer dan een stilistisch hoogstandje, is Kallocaïne een noodzakelijk boek. Net als de essays van Paul Valéry: De crisis van de geest en De vrijheid van de geest (https://geendagzonderboek.com/2020/12/14/het-lot-van-de-geest-in-crisistijd/), verschaft Boyes roman inzicht in de werking van de geest op kantelpunten, in massapsychologie en sociale mechanismen in een totalitaire staat. Het vergt niet veel moeite de actualiteit en relevantie ervan te zien. Moge dit boek, net als Orwells 1984, een wake-upcall zijn en ons alert houden voor een steeds meer gecentraliseerde samenleving met een overdaad aan regels, sancties en controlemechanismen.

Karin Boye: Kallocaïne, Uitgeverij Koppernik, Amsterdam 2021, 240 p. Vertaling van Kallocain door Bart Kraamer. ISBN 9789492313577.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: