
Schrijver, dichter en beeldend kunstenaar Henri Michaux (1899-1984) geloofde heilig in de onbegrensde verbeeldingskracht van de mens. In de wereld die we kennen, remmen allerhande constructies, wetten, regels ons gedurig af. Zijn leven lang worstelde Michaux met de onmacht om zich aan die wereld aan te passen. In Roerige nacht, een verzameling korte prozateksten, geeft hij zich helemaal over aan zijn verbeelding en deconstrueert naar hartenlust. Het ene na het andere concept, zelfs de taal, moet eraan geloven; zowat elk woord wil hij van zijn betekenis en vorm beroven. Michaux flirt zeer zeker met het surrealisme, maar zijn werk louter surrealistisch noemen, is te beperkend. Zijn teksten getuigen immers van een diepgewortelde overtuiging van onbegrensdheid, waardoor ze intrinsiek in geen enkel hokje vallen onder te brengen.
In Roerige nacht hakt Michaux met draconisch genoegen en genadeloze zelfspot zowel zichzelf als de hele condition humaine aan mootjes. Hij laat een naamloze verteller allerlei fantastische gedaanten (van de wind tot een kiezelstrand, van de mier, over de wolboom, tot de knirps of de hameling) aannemen en neemt vanuit ieder perspectief de verhouding tot de waargenomen werkelijkheid en tot denkbeelden als geluk, pijn, woede en geweld op de korrel. In het stukje Ieder zo zijn muizenissen, stelt hij dat in een mierenhoop van adelaars nooit sprake is: ‘Een mier is niet beducht voor adelaars. De woede, woestheid van een tijger roept niets bij hem op, de woeste blik van adelaars biologeert hem niet, niet in het minst.’ In Meer veranderingen luidt het dan weer als volgt: ‘Het waren steeds abrupte veranderingen, alles moest nieuw en en het was niet de moeite, het zou maar even duren, en toch moest ik me er wel op instellen, steeds die abrupte veranderingen. Het is niet zo lastig om na een romboëder een afgeknotte piramide te worden, maar het is wel lastig om na een afgeknotte piramide walvis te worden; je moet direct kunnen duiken en ademen, het water is koud en je wordt opeens geconfronteerd met de harpoeniers, maar zodra ik die man zag, ging ik ervandoor, reken maar. Al kwam het me voor dat ik plotseling in harpoenier veranderde, en dan moest ik een des te grotere afstand overbruggen.’
In feite grijpt Michaux voortdurend in de waargenomen werkelijkheid in en herschept die tot een vloeibare ruimte waarin alles mogelijk is. Om zijn werk nog meer diepgang te geven, experimenteerde de schrijver met geestverruimende middelen. In sommige stukjes raak je als lezer het spoor dan ook ietwat bijster. Niettemin houden krachtige passages, die je telkens weer op een ander been zetten, je bij de les. Een van Michaux’ tot de verbeelding sprekende scheppingen is zijn ‘Landje’, een dorre vlakte waarop niets ooit gedijt. Alles komt en gaat, niets blijft; verandering en vergankelijkheid zijn er de enige constanten. Een levenshouding als die van Michaux vereist radicale, onconventionele gedragingen tot geweld aan toe. Sommige van zijn teksten zijn zowel parels van het zuiverste water als mokerslagen.
Michaux sukkelde geregeld met zijn gezondheid, waardoor hij vaak doodstil in bed moest blijven liggen. Door zijn kamer trok dan geheid een sliert bestaande en onbestaande wezens voorbij. De gesloten gordijnen hielpen hem om die geestesbeelden te projecteren en te beschrijven. Ook bedacht hij voor zijn passieve lichaam allerlei wonderlijke activiteiten. Zo gaat hij vol enthousiasme schaatsen in De sportman in bed:
‘Heel raar, maar schaatsen vind ik zo lachwekkend als ik weet niet hoe, en toch, doe ik mijn ogen dicht, dan zie ik een enorme ijsbaan.
En wat ben ik fanatiek aan het schaatsen!
Dankzij mijn gigantische, nooit dalende snelheid laat ik na een tijdje de schaatscentra almaar verder achter me, de gaandeweg steeds kleinere groepjes worden schaars en verdwijnen. Alleen schuif ik over de bevroren rivier, die me door het land draagt.
Niet dat ik afleiding zoek in het landschap. Nee. Ik wil alleen maar door de weidse stilte zeilen met aan beide zijden harde, zwarte velden, zonder ooit om te keren, en hoe vaak en hoe lang ik het ook heb gedaan, ik kan me niet heugen ooit moe te zijn geweest, zo licht is het ijs voor mijn rappe schaatsen.’
Terwijl hij, uitsluitend in zijn hoofd levend, voortdurend reflecties opvangt en projecteert, ziet Michaux om zich heen erg lijfelijke mensen heel concrete dingen doen (ieder zo zijn muizenissen), wat hem tot nóg meer absurdisme bracht. De mens, zo concludeert hij, is in de kern van zijn wezen enkel een punt.
heel interessant! In de tweedeling Vorm of Vent, (jaren 30 discussie, nav voortzetten van de tachtigers, terwijl maatschappelijk er veel broeide) zou je dit toch ook bij een ‘vorm’ kunnen rekenen? Het lijkt wel of er weinig sociaal geengageerde literatuur geschreven wordt. Of heb ik het mis?
LikeLike