Een veelvoud aan zielen

Toen ik in 1991 als Erasmusstudent enkele maanden in Lissabon verbleef, kende ik Fernando Pessoa (1888-1935) slechts van naam en een enkel gedicht. Zijn zittende standbeeld aan café A Brasileira intrigeerde me; zijn naam klonk in het Portugees bijna zo mooi als een fado. Ontvankelijk voor ‘saudade’, sloot ik de mysterieuze figuur in mijn hart terwijl ik weemoedig over de Taag naar de zonsondergang tuurde. Lange tijd koesterde ik de droef ogende Lissabonner als een nooit te ontsluieren geheim, een onbekende naar wie ik heimwee had. Als jonge twintiger had ik er geen benul van dat deze man een literair universum op zich was, verspreid over meer dan honderd identiteiten.

Twee decennia later las ik Boek der rusteloosheid: een ontnuchterende ervaring. Pessoa’s magnum opus bleek geschreven door iemand die gebukt ging onder het leven en vooral aan zichzelf leed. Mijn beeld van Pessoa ging aan het zwalpen en ik slingerde heen en weer tussen deernis, ergernis, sympathie en bewondering voor deze mens, groots in zijn zwakheid en in zijn falen. Hoe nauwgezet beschreef hij zijn paradoxale gevoelens en gedachten!

Eerder dit jaar verscheen van diezelfde Pessoa de tweetalige bundel Een spoor van mezelf. Een keuze uit de orthonieme gedichten, in een vertaling van Harrie Lemmens. Het derde bedrijf in mijn langdurige kennismaking met de schrijver-dichter.

Niet een enkel spoor, maar een kluwen van sporen liet Pessoa na, onder heel wat identiteiten. Hij was zonder enige twijfel artistiek schizofreen. In een poging aan het denken te ontsnappen, schiep hij (volgens een recente telling) meer dan honderdtwintig alter ego’s, pseudoniemen en heteroniemen en voorzag ze van een fictief leven. Zo ontstonden onder meer de simpele landman Alberto Caeiro; de stoïcijnse arts Ricardo Reis; en Álvaro de Campos, die het dichtst bij Pessoa zelf stond. Naargelang de stem die hij wilde vertolken (respectievelijk: louter kijken en registreren; denken; voelen), liet hij de een of de ander aan het woord. Ook liet hij zijn alter ego’s met elkaar, over elkaar, of over hemzelf in gesprek gaan.

In zijn orthonieme (onder eigen naam geschreven) gedichten komt de vervreemding van zichzelf telkens weer terug. Pessoa heeft het over een veelvoud aan zielen: ‘Ik weet niet hoeveel zielen ik heb./ Telkens weer word ik ontbonden/ en het is alsof ik voortdurend wegeb.’ In Pessoa’s poëzie lijken niet alleen ‘ik’ en zichzelf elkaar vreemd, ook hart en geest, denken en voelen, slapen en waken, droom en werkelijkheid staan tegenover elkaar. In een van zijn gedichten slaat Pessoa op de vlucht voor de ziel, in de hoop dat ze hem nooit vindt. Het liefst verschuilt hij zich achter zijn veelvormige zelf, dat zichzelf niet kent: ‘Ik kijk, ben geen van hen en ben hen allemaal’.

Ondanks zijn weerzin zocht Pessoa steeds opnieuw zijn gespletenheid op. Hij leerde zijn identiteiten handig te gebruiken om zijn hooggevoeligheid te camoufleren en een meta-bewustzijn te creëren, waarmee hij vrijelijk tussen droom en werkelijkheid kon laveren. De dichter zet deuren op een kier en gunt ons zodoende een blik op dat web van zielen. Soms staar je in een donkere leegte; soms zie je iets oplichten dat onmiddellijk weer verduistert. ‘Mijn hart is een kruik die valt en in twee stukken breekt…/ Jouw stilte raapt hem op en legt hem in een hoek…’.

Pessoa verzekert dat hij in zijn verzen denkt, niet voelt. Inderdaad: over gevoelens schrijft hij behoedzaam, van de liefde houdt hij zich angstvallig ver. Toch zijn pijn, chagrijn en hunkering onmiskenbaar aanwezig. Eenzaamheid tracht hij kleur en rust te geven: ‘Hier is alles rust en zee./ De wegstarende blik verstart/ en het blauw kleurt mee/ van groen tot eenzaam zwart./ Hier is alles rust en zee’. Meestal is gelatenheid zijn deel: ‘Wat komen moet/ komt onherroepelijk, of ik dat wil of niet/ Wat niet komen moet/ komt toch, als ik het bedenk; de rest is dromen’.

In een poging aan zijn onophoudelijke gedachtestroom te ontsnappen, verkiest Pessoa slapen (‘een herinnering die ontwaakt’) boven waken. Nog meer houdt hij van de halfslaap (‘als een bries die de schaduw verkoelt’), want ook aan zijn dromen twijfelt hij: ‘Ik weet zelfs niet of de droom verdriet achterlaat.’ De droom is voor hem als de volle zee, een ‘reusachtig strijdgewoel zonder heldenmoed’.

Gelukkig vindt hij nu en dan troost in klokgelui met langgerekte slagen, zingende, zachte klanken, ritmisch als een golfslag: ‘O kerkklok van mijn dorp, / die opklinkt in de stille middag,/ iedere slag van jou doet/ in mijn hart zijn droef beklag.’

Sommige gedichten zijn als liederen. Ritme en rijm lijken intrinsiek aan de Portugese taal. Luister:

‘Sei eu se quando

A tua mão

Senti pousando

‘Sobre o meu braço,

E um pouco, um pouco,

No coração,

Não houve um ritmo

Novo no espaço?’

(Weet ik of er,/ toen ik je hand/ op mijn arm/ voelde liggen/ en ’n beetje, ’n beetje/ in mijn hart,/ geen nieuw ritme/ in de ruimte ontstond?)

In het melancholische ‘Lissabon’ worden vage, verre klanken als door de wind over zee aangedragen: ‘O, hoe onduidelijk in de zwoele nacht/ krijg ik vanuit een verre kroeg vlakbij/ door een oude aria onverwacht/ heimwee naar iets van mij’. Amália Rodrigues’ hemelse stemgeluid zwelt aan. Met eenvoudige woorden, mythische beelden, echoënde klanken, schept Pessoa grenzeloze poëzie: ‘Alle zonsondergangen hebben zich in mijn ziel aaneengesloten’.

Vergankelijk het lichaam, nietig de schaduw, groots het verlangen. Hoe hunkert de dichter naar een thuis dat hij nooit gekend heeft! Maar ook: geen hoopvolle gedachte zonder de teleurstelling die erop volgt, geen lichaam of ziel zonder de diepe kloof ertussen, geen liefde zonder verdriet. Zinloos ons dromen, doelloos ons lopen, groots ons verlangen! Steeds weer dat verlangen. ‘Was ik maar een metafoor, niet méér’, verzucht de dichter.

Als een waaier vouwt de tijd zich op wanneer Pessoa terugkeert naar zijn kindertijd. Daar fonkelt leven. Hij ziet zichzelf met een bal tegen een witte tuinmuur kaatsen of op een draaimolen zitten, waarvan de paarden ‘wervelen als de zon’ tot de nacht de kermis beetpakt en optilt. Pessoa bracht een groot deel van zijn jeugd door in Zuid-Afrika, waar zijn stiefvader consul was. Over die periode van zijn leven heeft hij vrijwel niet geschreven. Een uitzondering is ‘Un soir á Lima’, waarin de dichter zijn adolescentenleven in Durban en zijn adoratie voor de pianospelende moeder oproept:

‘Kon ik die kamer en dat uur/ maar wegrukken/ uit de ruimte, de tijd, het leven,/ en wegstoppen/ op een plek/ in mijn ziel waar ze eeuwig van mij/ zouden zijn,/ levend en warm,/ en het hele gezin en de vrede en de muziek,/ maar dan werkelijk zoals die/ nu nog altijd is,/ wanneer jij speelde, ma, ma,/ ‘Un soir à Lima’.’

Op zijn zeventiende keerde Pessoa terug naar Lissabon. Hij zou de stad nog maar zelden verlaten. Zijn missie was schrijven. Niet bij machte zijn denken te stoppen, verdeelde hij het werk over zijn alter ego’s. De neergeschreven gedachten, ideeën, verhalen, gedichten – vaak fragmentarisch – verzamelde hij in een hutkoffer. Pessoa beoefende een waaier aan genres, experimenteerde met vormen en stromingen, vond er zelf uit. Hoe groter zijn spectrum werd, hoe eenzamer en vergankelijker hij zich voelde. Zo nu en dan kon een glimlach, een gebaar, een hand op zijn arm, de schrijver de dood even doen vergeten; toch was ze altijd binnen handbereik: ‘De dood is de hoek van een straat’.

Hoezeer Pessoa zijn denken en voelen ook in fictie omzette, duidelijk is dat hij leed. Met zijn overontwikkelde zelfbewustzijn verkeerde hij voortdurend in een meta-toestand. Hij kampte met terugkerende depressies, schreef in zijn brieven dat hij soms het gevoel had zijn verstand te verliezen. In een dagboekfragment van 1907 verklaarde Pessoa dat hij in een ‘afgrond van geestelijke verbijstering’ viel. Intieme vrienden had hij niet, zijn familie begreep hem niet. Meer nog, ze geloofden hem niet, vonden dat hij zich aanstelde. Alles in zijn leven moest wijken voor de poëzie. Nog voor zijn geest ging zijn lichaam ten onder. Hij stierf, zevenenveertig jaar jong, aan de gevolgen van overmatig alcoholgebruik.

Fernando Pessoa: Een spoor van mezelf, Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen 2019, 296 p. Vertaling door Harrie Lemmens. ISBN 9789029526456.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: