Aan de grond in Caïro

Het is zomer. Auto’s razen voorbij in de duizend jaar oude moderne stad die uit haar voegen barst. Op verzakte trottoirs van drukke wegen, geflankeerd door ‘onvoltooide ruïnes’ – gebouwen, gedoemd om in te storten – zitten mannen onderuitgezakt op caféterrassen en beweegt zich traag een mensenmenigte voort. Liefdesklachten van een mythische zangeres klinken uit radio’s. Door het hinderlijke gepeupel banen trams, waaraan trossen mensen hangen, zich een weg. Nu en dan vliegt een schoen door de lucht. Een wandeling door Caïro is een tocht door de hel, tussen gillende claxons en stinkende walmen. De jonge dief Oessama doet niets liever dan kijken naar die chaos en naar zijn trotse, waardige landgenoten, niet bij machte het leven op te vatten als een tragedie.

De Frans-Egyptische schrijver Albert Cossery (1913-2008) was vijfentachtig toen hij, met knoestige artrosevingers, ‘Einde’ neerpende als afsluiter van Grote dieven kleine dieven (Les Couleurs de l’infamie, 1999). Hij sloot daarmee ook zijn hele oeuvre af, dat acht boeken en zestig werkjaren omspant. Naar eigen zeggen schreef Cossery altijd hetzelfde: een variatie op het draagbare Egypte in zijn hoofd. Hoewel hij na de tweede wereldoorlog naar Parijs emigreerde, bleef hij zijn leven lang kosmopolitisch Caïro als achtergrond gebruiken in zijn romans. In bohemien Parijs voelde Cossery zich als een vis in het water, te midden van het groezelige nachtleven en de rokerige jazzcafés waar de existentialisten samenkwamen. Hij betrok een kamer in Hotel La Lousiane en zou er tot zijn dood blijven wonen. Als geboren observator bracht hij zijn dagen door in Café de Flore, waar hij achter een koffie passanten gadesloeg. Vertaalster Mirjam de Veth voorzag Grote dieven kleine dieven van een indringend en persoonlijk nawoord, tegelijk een eerbetoon aan een flamboyante woordkunstenaar en enfant terrible uit de Frans literatuur.

Net als Cossery kleedt de vrolijke, spotlustige en excentrieke Oessama zich als een dandy. Met zijn beige linnen pak en bruine suède schoenen kan hij zich moeiteloos bewegen onder de rijken en hen elegant en in alle veiligheid beroven. Oessama vat post aan Café Cosmopolite, ooit een pleisterplaats voor intellectuelen, nu een marginale plek. Daar slaat hij de Notabelenclub gade, gefrequenteerd door leden die hun rijkdommen oneerlijk verworven hebben. Oessama steelt voor de sport en voor het plezier, meer dan voor de financiële opbrengst. Hij acht het zijn nobele taak om het geld te laten rouleren. Zonder zijn bedrijf zou het altijd in dezelfde zakken blijven.

Wanneer onze sympathieke schurk een van de notabelen berooft, komt hij ongewild in het bezit van een brief, geadresseerd aan een steenrijke vastgoedmagnaat die recent in opspraak kwam. Hij wordt verantwoordelijk gehouden voor de instorting van een pand met sociale huurwoningen, waarbij minstens vijftig mensen om het leven kwamen. Uit de brief blijkt dat zijn handlanger de broer van een minister is. Oessama beseft dat hij een bom in zijn handen heeft.

De nobele dief breekt zijn hoofd over wie hij zou kunnen inschakelen om de zaak aan het licht te brengen. Media zijn uitgesloten wegens te corrupt, de arm der wet is malafide, zijn blinde, ooit revolutionaire vader gelaten en het hoertje Safiera te naïef. Oessama speurt op straat naar een mogelijke handlanger maar hij ziet alleen ‘onderworpen gezichten van een gepeupel dat dringendere en concretere zorgen aan zijn hoofd had, en dat door een financieel-politiek schandaal meer of minder zijn wereldbeschouwing niet gauw zou veranderen.’

Dan loopt Oessama Nimr tegen het lijf, zijn oude leermeester in het vak en koning der zakkenrollers. Oessama raakte ooit geïnspireerd door Nimrs flamboyante ethische opvatting dat diefstal een ‘rechtvaardige terugvordering was van het wisselgeld door de armen in een wereld waar grote dieven aan de top van de maatschappelijke ladder ongestraft hun zakken vullen.’ Na Oessama’s verhaal is Nimr onmiddellijk overtuigd. Hij brengt zijn pupil naar de Dodenstad, waar de geknipte handlanger woont: een profeet van de spot. De brief in de openbaarheid brengen zou niet volstaan, meent die, want criminaliteit in de hoogste maatschappelijke kringen is ‘een toegestaan verschijnsel in alle landen ter wereld’. Het drietal besluit de geadresseerde met een bezoekje te vereren. De ontmoeting wordt een feest van cynisme.

Ironie, bijtende spot en absurdisme zijn eigen aan Cossery. Zijn flamboyante taal is gekruid met pittige dialogen vol krachttermen. Zinnen als fonkelende juwelen geven een adembenemende couleur locale weer. De personages zijn ongehoord optimistisch en opmerkelijk attent voor elkaar. Ze houden rekening met andermans gevoelens en noemen elkaar eerbiedig ‘meester’. Er heerst broederlijkheid tussen hen. Met de vrouwelijke personages wil het niet zo goed boteren. Zij worden gewantrouwd en verdacht van vrouwelijke listen, waaraan mannen moeilijk kunnen weerstaan. Alleen de mythische zangeres Umm Kulthum kan in de ogen, of liever de oren, van de mannen niets misdoen.

In zijn romans houdt Cossery een pleidooi voor ‘nietsdoen’ en uit scherpe kritiek op ambitie, hebzucht en consumptiedrang. Hij was zelf een dandy en lanterfanter en koesterde sympathie voor de dromers en de subversieven in de samenleving. Zijn menslievendheid, optimisme en onverwoestbare spotlust waaien als een warme wind door deze onweerstaanbare roman.

Albert Cossery: Grote dieven kleine dieven, Uitgeverij Jurgen Maas, Amsterdam 2019, 134 p. Vertaling van Les Couleurs de l’infamie door Mirjam de Veth. ISBN 9789491921650.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: