Existentiële quarantaine

Dankzij een onverwachte erfenis van een oom in Amerika kan ‘de solitair’ eindelijk een punt zetten achter zijn relatief korte beroepsleven en zijn oude bestaan, getekend door verveling, depressies en vluchtige escapades, vaarwel zeggen; het geluk lacht hem toe. Zijn verhuis naar een eenvoudig appartement, net buiten het centrum van Parijs, lijkt niet meteen soelaas te bieden, hoewel alles wat de solitair nodig heeft, voorhanden is. Hij heeft zich in een nieuw pak gehesen, gloednieuwe meubels gekocht, een huishoudhulp aangeworven en om de hoek ligt een restaurant waar hij dagelijks kan eten. Maar hoe een nieuw leven op te bouwen met niets dan puin in de grauwe ruimte van zijn innerlijk?

De solitair is de enige roman van de Frans-Roemeense schrijver Eugène Ionesco (1909-1994), befaamd om zijn absurdistische toneelwerk. Vertaler Jeanne Holierhoek schrijft in haar nawoord dat Ionesco zelf gebukt ging onder metafysische angsten en de waanzin van het alledaagse leven. Om elegant te leren sterven, verenigde Ionesco in zijn werk komedie en tragedie. Zijn personage, de solitair, is volstrekt alleen in een volkomen absurde wereld. ‘Hij is intelligent genoeg om fundamentele vragen te formuleren, maar niet bij machte de antwoorden te vinden.’ Verlamd door het besef dat alles zinloos is, verveelt de solitair zich mateloos.

Het is nochtans zijn eigen schuld. De solitair heeft niet gestudeerd en beantwoordde nooit aan de verwachtingen van zijn ouders, met als resultaat: een sombere ziel en een zinloos leven. Hij is er gewoon, een mens zonder verbeeldingskracht in een vaststaand universum. Net zoals iedereen is hij een gevangene. Alleen lijken anderen dat niet te beseffen; die gaan maar door met hun zinloze leven in een zinloos systeem.

Beter ware het, niet te denken en zijn verlangens aan de ketting te leggen. Dat eeuwige gefilosofeer maakt de solitair nog krankjorum. Ja, Lucienne was er geweest, en Juliette, en Jeanine, maar wat heeft het hem gebracht? De solitair zoekt naar kleine dingen om te begrijpen, kleine gevangenissen binnen de grote. Nu en dan lukt het hem om zich niet onprettig te voelen, soms zelfs vrolijk, bijvoorbeeld bij de aanblik van het bloemetjesbehang in zijn slaapkamer of bij het eten van haringfilet in het restaurant om de hoek. Zodra echter het besef toeslaat dat de hemel een dak is, de aarde ‘een bol in een andere bol, die zich waarschijnlijk in een andere bol bevindt die zelf weer…’, wordt de solitair misselijk en krijgt hij hoofdpijn van ‘al die zich aaneenrijgende eindigheden’. ‘Bovendien te bedenken dat de vorm van de dingen niets anders is dan het beeld dat wij ons ervan vormen…’ Hoe is het mogelijk dat mensen hiermee kunnen leven? ‘Ze hebben machines gebouwd, maatschappijen gesticht, maar de vraag naar het absolute, de vraag zonder antwoord, kan ze geen bal schelen’.

Het is zonneklaar dat de solitair bij de muur van de wereld staat. Hij moet naar buiten! Naar het restaurant, waar de serveerster – wier naam hij stelselmatig vergeet – zich om hem bekommert. Houvast vindt de solitair alleen in de wereld buiten zijn hoofd, wanneer hij een burgerlijk man van vaste gewoontes kan zijn en met de grootst mogelijke aandacht naar de dingen en mensen om zich heen kijkt en luistert. Dan komt hij tot een morele of esthetische neutraliteit.

Plots worden bekenden schimmig, woorden onbegrijpelijk en overvalt hem een onuitsprekelijke angst. De werkelijkheid wordt een lege ruimte die alleen hij vult. De solitair draagt het volle gewicht van het moment, waarvan hij maar niet kan genieten. Een bevriend filosoof en psycholoog verklaart hem tot een tragisch geval, iemand die slechts in een staat van genade kan leven. Kortom: de solitair is een dwangneuroticus.

De serveerster merkt zijn zenuwziekte op. Empathisch als ze is, trekt ze bij hem in, maar pakt snel weer haar boeltje. Nu gaat de kosmos pas werkelijk aan het kantelen. Het verleden? Het lijkt alsof dat alles er nooit geweest is. Wat een bitterheid en pijn. Heeft de solitair dan al zijn kansen gemist? Hij strekt zich uit op de canapé. Drank loodst hem door de dagen. Berusten om niet te hoeven lijden. Maar hoe berusten in onwetendheid? Onwetendheid kan onmogelijk een fundament zijn; toch is alles in de mensenwereld erop gebouwd. ‘Begrensde kennis is geen kennis.’

Deze existentiële crisis van de solitair ontvouwt zich tegen een tumultueuze achtergrond: ontevredenheid bij boeren en arbeiders, woede bij intellectuelen en studenten, oproer op straat. De solitair ziet hoe het leven doorgaat en mensen zich aanpassen; sommigen gaan vechten; anderen mopperen; nog anderen werpen zich op hun maaltijd. Het leven, een last? Bijlange niet, het leven is een ornament! ‘Niets is ernstig, want alles gaat voorbij.’

De solitair acht het abnormaal om zich niet voortdurend af te vragen wat het universum is, wat de eigen situatie is, wat we hier komen doen en of er hier überhaupt iets te doen valt. Niet de feiten, maar de intentie en de hypothese vormen het vertrekpunt. Om het even wat kan worden gestaafd. Vervolgens kun je doen wat je wilt.

Wat als hij de wereld vanuit het gezichtspunt van een dode zou bekijken? ‘Men doodt zichzelf in de ander. Of misschien probeert men de dood te doden.’ De solitair ziet het dieprode schijnsel aan de horizon, loopt over het grote plein waar het bloedvergieten begint. De rebellen werpen barricades op; de politie schiet met scherp op iedereen die zich verdacht gedraagt. De solitair wordt moe van die werkelijkheid. Zo moe dat hij besluit zich te verschansen, zich ingraaft in zijn appartement, omringd door proviand en een royale voorraad drank. Een vrijwillige quarantaine, zeg maar.

Net als Georges Perec in Een man die slaapt, ontleedt Ionesco nauwgezet de psyche van een man wiens leven tot stilstand gekomen is en die wanhopig probeert zijn bewustzijn te louteren. Na maanden (of zijn het jaren?) verdwijnt ook bij Ionesco’s solitair het besef van tijd en voelt hij zich niet meer ongelukkig. Ook niet gelukkig. Leunend op zijn vensterbank tuurt de solitair naar de hemel. Plots scheurt een ‘verstarde bliksemflits’ de hemel in twee.

De solitair eindigt met een archetypische droom: deuren openen zich naar binnen en tegelijk naar het oneindige universum, ‘als een schilderij in een schilderij in een schilderij – waar hij in stapt’. Of dit de bevrijding van de solitair betekent, laat Ionesco wijselijk in het midden.

Eugène Ionesco: De solitair, Uitgeverij Vleugels, Bleiswijk 2020, 156 p. Vertaling van Le Solitaire door Jeanne Holierhoek. ISBN 9789493186187.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: