Het begon met een barst

Het zwembad waar Alice dagelijks haar baantjes trekt, bruist van de typetjes. Het ondergrondse waterhuis is hun habitat. Daar kunnen ze hun passie beoefenen door geregeld een vast aantal baantjes te zwemmen. Vrienden en familieleden, ‘bovengrondse niet-zwemmers’, ergeren zich aan de eenzelvige aard van de zwemmers en hun obsessie met tellen. Ze proberen hen ervan te overtuigen gezelliger te doen, eens een dag over te slaan, een baantje of twee minder te trekken. Wat voor de ondergrondse zwemmers noodzakelijk is om evenwichtig en gefocust te blijven, is voor de bovengrondse niet-zwemmers onbegrijpelijk. Wanneer er plotseling een barst verschijnt op de bodem van het zwembad, komt de onderlinge, stilzwijgende verstandhouding tussen de solitaire zwemmers – elk in hun eigen baan, op hun eigen tempo – onder druk te staan,

Nu eens verstild, dan weer wervelend, nostalgisch, geestig, soms hilarisch, schrijft Julie Otsuka over het wel en wee van een bont gezelschap zwemmers. Met het signaleren van de barst komen allerhande bezorgdheden en angsten aan de oppervlakte. Honderd-en-een praktische, sanitaire, existentiële, zelfs apocalyptische vragen worden door de zwemmers voorgelegd aan de directie en door een duizelingwekkende horde inspecteurs naar best vermogen beantwoord. De directie put zich uit in pogingen om de kakofonie van speculaties te smoren. Tevergeefs. Aan (complot)theorieën geen gebrek. Alles wordt in het werk gesteld om de zwemmers gerust te stellen: de barst is volkomen onschuldig!

De ene na de andere zwemmer haakt af. Met de moed der wanhoop zwemmen de overblijvers verder. Om hun angsten te bezweren, bedenken ze rituelen. Echter, de barst heeft zich onherroepelijk in de krochten van hun geest genesteld. ‘Hoeveel baantjes hebben we nog?’ vragen ze zich af. Op een dag verschijnt er een web van barsten. Het zwartste scenario wordt werkelijkheid: de badmeester blaast een laatste keer op zijn fluitje en roept: ‘Iedereen eruit!’

“Een van ons zet haar brilletje af en tuurt naar de klok om te checken of het echt zo laat is (dat is het). Een van ons crawlt naar het trapje in de hoek en zegt: ‘Was dat nou nodig?’ Twee van ons roepen luid: ‘Nee!’ Een van ons klampt zich hijgend vast aan de betegelde rand van het bad. ‘Mijn hart is gebroken,’ zegt ze. Een ander kan zijn bril niet vinden. ‘Heb je ooit dat knagende gevoel,’ vraagt iemand anders, ‘dat je gewoon je hele leven hebt verspild? (…) Een van ons blijft heen en weer zwemmen in haar baan lang nadat verder iedereen het water uit is en als we haar naam roepen – ‘Alice, het is tijd!’ – tilt de badmeester zijn hand op en zegt zacht: ‘Nog één baantje.”

Dit prachtig staaltje mededogen bij het finale afscheid van de zwemmers is een naadloze overgang naar het volgende deel van dit overheerlijke boek.

Het begon met een barst in haar geheugen, bijna onmerkbaar; vervolgens werd het een cluster. Het terminale dementeringsproces van Alice (atrofie van de frontale kwab) raakt in een versnelling. Ze wordt door haar man en kinderen in een instelling ondergebracht. Het perspectief verschuift naar de dochter van Alice (de jij in het verhaal), die het aftakelingsproces van haar moeder (de zij in het verhaal) van nabij meemaakt. De gebruikelijke fysieke en emotionele afstand tussen moeder en dochter wordt plots overstemd door een nieuwe, mentale afstand. Volgt een ontroerend en intens relaas. Otsuka balanceert knap op de grens tussen het komische en het ernstige.

In een soort checklist, een geruststellende opsomming van wat Alice wel nog kan, nog weet en wat intussen niet meer, overloopt de dochter de belangrijkste gebeurtenissen uit het verleden van haar moeder. Wanneer niet alleen het verleden maar ook het heden in de geest van haar moeder begint te vervagen, krijgt haar dochter het moeilijk. Hoewel ze honderd-en-een mogelijke oorzaken van haar moeders dementie kan bedenken, blijft ze in het duister tasten. Vol humor, wrang soms, beschrijft Otsuka het wel en wee in Belavista, de particuliere woonlocatie waar Alice is ondergebracht. Alice en haar verwanten kunnen niet anders dan ondergaan wat in duizend-en-een regels is vastgelegd. Beetje bij beetje verdwijnt Alice.

‘Je zit met haar in de stiltezaal, zij in haar rolstoel, jij op de bank naast haar, en luistert naar het geluid van suizelende regen uit de witteruisgenerator. Je hebt inmiddels al bijna twee jaar haar stem niet meer gehoord. Ineens strekt ze haar hand uit en pakt je arm vast. Haar grip is sterk, maar teder. Haar hand is verrassend warm. Het dringt tot je door dat je moeder je vásthoudt. En voor het eerst in weken ben je rustig. Niet ophouden. Zo blijven jullie een paar minuten zitten, zij met haar hand op jouw arm, jij op de bank naast haar, roerloos, nauwelijks ademend, tot het tijd is om haar naar de eetzaal te rijden voor de lunch. De beste vijf minuten van je leven.’

Julie Otsuka: De zwemmers, Lebowski Publishers, Amsterdam 2022, 146 p. Vertaling van The Swimmers door Lucie Schaap. ISBN 9789048863747.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: