Versteende hartstocht

‘Onverstoorbaar, de stenen voor me, bereikte mij, wanneer ik het raam opendeed, vanuit de spleten in de rotsen iets heel ‘fatsoenlijks’ en geliefds, de echo, die de laatste twee of drie lettergrepen van een zin herhaalde en, vaak een letter weglatend, weergalmde als een antwoord of een waarschuwing of, wie weet, een gesis. Of een veroordeling. Sst, sst, sst, zei mijn vader, hij onderbrak de echo en kondigde met een zachte, zuinige stem de dood aan van zijn vrouw, en mijn moeder, Thelma.’

In de wondermooie mystieke novelle van Fleur Jaeggy, De waterstandbeelden, zopas vertaald door Hilda Schraa, denkt de oude Beeklam terug aan zijn kindertijd in het huis hoog op de rotsen. Tijdens de begrafenis van zijn moeder kondigden ‘schaduwfragmenten’ de schemer aan, waarna het licht voor lange tijd uit Beeklams leven verdween. Hij at nauwelijks nog. Aan de dis hing ‘het onuitsprekelijke’ tussen hem en zijn aardse vader in, terwijl de trouwe – en even eenzame – Victor en Lampe hen zwijgend bedienden. Overdag werkte Beeklam dwangmatig in de tuin. Hoe verder hij van het leven af dreef, hoe liever hij het had.

Op een dag deed Beeklam voorgoed afstand van ‘de starre definities van het dagelijks leven’. Hij trok zich terug in de ondergelopen catacomben van een vervallen huis aan de Amsterdamse haven en begon er standbeelden te verzamelen. Voortaan zou Beeklam leven tussen levensgrote beelden, alle vrouwen, die permanent met de voeten in het water stonden. Hij gaf ze namen. Zij drukten de pijn en de stilte uit die hij sinds de dood van zijn moeder ervoer. In een rouwperiode die een halve eeuw zou duren verloren tijd en ruimte voor Beeklam elke betekenis.

Jaeggy gebruikt in haar proza geregeld metaforen als standbeelden: stil, kil, versteend, als voor de eeuwigheid gemaakt. Het niet lineair verlopende verhaal komt vooral bevreemdend over omdat het zich grotendeels los van tijd en ruimte afspeelt. Wanneer Beeklam, een kind nog, plompverloren in het uur van de schemering, een man in het park vraagt of hij zijn bediende wilde worden, vraagt de man, die Victor heet, waarom. ‘Uw oren, meneer,’ antwoordt Beeklam. ‘Door de enorme contouren van uw oren, verlicht door de straatlantaarn, ben ik blijven staan.’

Na een vijftig jaar durende stilstand van het leven, treedt Beeklam op zijn oude dag de ‘afgrijselijke, heldere dageraad’ tegemoet. Hij was al oud als kind maar lijkt ook nu niets van zijn kinderlijke trekken verloren te hebben. Het vergankelijke, de aanwezigheid, beweging en voortdurend veranderende gelaatsuitdrukkingen van mensen is hij ontwend. In zijn bovengrondse leven beperkt Beeklam zich tot nachtelijke wandelingen naar de haven. Onderweg kijkt hij door de ramen naar slapende gezichten, ‘op zoek naar dromers’. Hij verzint verhalen over de roerloze gestalten, tot Victor hem komt halen en ze samen zwijgend huiswaarts keren. Euforie en weemoed wisselen elkaar af in Beeklams beleving. Hij probeert alles wat hij ziet op afstand te houden. Van geluk ziet hij liever af.

Jaeggy dwingt je de fragmenten traag te lezen, zo traag dat je bijna stilstaat en rustig de tijd neemt om je heen te kijken in een versteende wereld. Zwart marmer, klamme schoenzolen, metalig bestekgekletter: je voelt de kou in Jaeggy’s proza aan den lijve. Even hypnotiserend zijn Beeklams unheimliche ontmoetingen op het uur van de nacht ‘dat iets wegheeft van het dode punt vlak voordat de slinger aan een nieuwe beweging begint’.

In het tweede deel van de novelle figureren de oude Kaspar, liefhebber van ijzige kou en de jonge Katrin, die een haat-liefde verhouding koestert met orde en penitentie. Ze wonen samen in een achttiende-eeuws paviljoen op een niet nader genoemde plek. Op een avond arriveren Beeklam, Lampe en Victor (Beeklams vader is intussen spoorloos uit beeld verdwenen). Als vanzelfsprekend verwelkomen Katrin en Kaspar hen. Het zijn immers eenlingen, die net als hen de stilte boven het gesprek verkiezen. Dialogen zijn dan ook spaarzaam, interacties schaars. Toch zijn ze gehecht aan elkaars – occasionele – gezelschap, omwille van de herkenning. Intussen lijkt alles te vervloeien: de personages (soms een ik, dan weer een jij, hij of zij), de dieren en de landschappen, die gaandeweg menselijke trekken krijgen. Allen versies van dezelfde door en door eenzame ziel. Allen dorstend naar stilte en afzondering. Allen op zoek naar een ‘zwijgende metgezel’. Ook de plaatsen, op Amsterdam na, vloeien in elkaar over. Soms waan je je in de Zwitserse Alpen maar even goed aan de Normandische kust, in een broeierig Zuidoost-Aziatisch land of in nachtelijk Praag. Zowat alles in dit boek krijgt een metafysische, metaforische dimensie.

Grenzeloos reflecteert Jaeggy in De waterstandbeelden over stilstand, zielloosheid, het bevriezen van de kinderlijke lach, zelfgekozen isolement, angst voor nabijheid en over tijd en ruimte als nadrukkelijk aanwezige afwezigen. Aan het eind staan de personages samen aan de rand van een meer. Straks zal de wachter hen komen halen om hen, een voor een, naar het eiland te varen. Pas dan ontdooit Jaeggy’s proza voor even en komt een schijn van hartstocht aan de oppervlakte.

Fleur Jaeggy: De waterstandbeelden, Uitgeverij Koppernik, Amsterdam 2022, 110 p. Vertaling van Le statue d’acqua door Hilda Schraa. ISBN 9789083174419.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: