Een stad als een visioen

9200000095737422Een reiziger komt aan in Venetië. Hij haast zich naar de vaporetto, neemt zijn intrek in een hotel vlak achter het Piazza San Marco, kijkt door het raam en ziet zwarte gondels wiegen in het ‘doodskleurige water’. Opnieuw zal hij de stad moeten veroveren, door zijn herinneringen en door de vele lagen van de geschiedenis dolen.

Het is niet de eerste keer dat Cees Nooteboom (1933) in Venetië aankomt: dat gebeurde in zijn verhaal ‘Gondels’ uit 1964. Sindsdien is hij er blijven komen en gaan. In Venetië. De leeuw, de stad en het water (2019) gaat Nooteboom op zoek naar een langzaam Venetië, waar hij met de handen op de rug kan kuieren en uitvoerig stilstaan bij wat hij ziet.

De stad heeft voor Nooteboom een melancholische grondtoon. Het liefst wandelt hij er een eeuw geleden en kijkt door de ogen van de doden naar dat ‘vergruisd labyrint’, met ‘stegen zonder uitweg, plotselinge bruggen, verlaten huizen, geluiden die nergens bij horen, het roepen van een misthoorn, voetstappen die zich verwijderen, voorbijgangers zonder gezicht’. Tijdens zijn dooltochten door de stad ontmoet de schrijver de geesten van Couperus, Casanova, Ruskin, Pound, Brodsky. Hij kruist het pad van de leeuw, het totemdier van Venetië, soms in de gedaante van een Byzantijns fabeldier, nu eens gekroond, dan weer gevleugeld.

Het anachronisme is in Venetië het wezen van de dingen zelf. Muren zijn er als levende huid, bruggen dragen littekens van ouderdom, je hebt deel aan eeuwenoude conversaties. Moeiteloos stapt Nooteboom in een schilderij, een muziekstuk, een verhaal uit een nabij of ver verleden. Met zijn fantasie verrijkt hij geschiedkundige feiten, vult hiaten. Zo komen we bijvoorbeeld te weten hoe Paolo Veronese in 1573 zijn exuberante Laatste Avondmaal feestelijk door de Inquisitie loodste. In een sublieme passage beschrijft Nooteboom zijn ervaring van een polyfoon klassiek concert in de kerk van San Rocco: ‘Als na die liederen het grote orgel zwaar uithaalt trilt de hele kerk, je voelt het tot in je gebeente alsof je zelf deel van het gebouw bent, en als het dan weer stil wordt, en je de regenvlagen tegen de hoge ramen hoort jagen, lijkt het alsof je op een schip vol muziek door een gevaarlijke nacht vaart zonder dat je voor onheil hoeft te vrezen.’

’s Nachts leest Cees bij het spaarzame licht van een ouderwetse schemerlamp over de honderdtwintig doges van Venetië, die verkozen werden volgens een gecompliceerde procedure. Of hij leest Ruskin, ‘die de gebouwen van de stad en hun vormen steen voor steen ontleed, bestudeerd en benoemd heeft’. Wanneer hij ’s ochtends de luiken in zijn hotelkamer opent, wordt hij op slag verliefd op de gevel van de Giglio, pal tegenover hem: ‘Nog nooit heb ik vanuit mijn bed een verhouding gehad met een gevel’. Drie ochtenden lang vergaapt hij zich aan ‘engelen van onbedaarlijke afmetingen’, ‘renaissancelichamen op weg naar de barok’, putti, friezen en frontons. Nooteboom vertelt zo smakelijk dat je terstond die kamer (en alleen die kamer) in dat hotel voor jezelf wilt reserveren. Telkens opnieuw verrast Nooteboom met swingende associaties, ongebruikelijke invalshoeken en eigenzinnige redeneringen. Bevreemdend, magisch de beschrijving van zijn eerste nacht in het hotel waar Kafka zijn afscheidsbrief aan Felice Bauer schreef.

Venetië is ook een paradijs voor voyeurs, de stad van Casanova: ‘er zijn steigers, kades, balkons, hoeken, een mogelijke geometrie van het verborgene, de plotselinge opening naar een kanaal, de duisternis van een kelder, een raam dat een beetje openstaat’. Je hoort gefluister in het halfdonker, een gemaskerde gedaante komt voorbij, gebaren van schimmen op een brug. Nooteboom hoort zijn eigen stappen ‘in het territorium van de dode uren als je in de verte de watergedaante van de lagune voelt die als een oneindige zwarte vlakte om alles heen ligt en de stad lijkt te wiegen met al haar verhalen’. Zolang hij blijft kijken en luisteren heeft hij het gevoel erbij te horen.

Nooteboom neemt de stad van heel nabij en toch afstandelijk waar, er een beetje boven zwevend. Nu eens springt hem een detail in het oog, dan weer overschouwt hij het geheel. Lyrische metaforen en nuchtere beschouwingen wisselen elkaar af. Een stilistisch gevecht met woorden voert hij niet, de zinnen lijken geheel natuurlijk uit zijn pen te vloeien. Balanceren tussen beheersing en overgave, innerlijk en uiterlijk, sentiment en zakelijkheid: die dualiteit is kenmerkend voor Nootebooms zoektocht naar het wezen der dingen. Met kinderlijke ziel en onbevangen blik gidst hij je door zijn Venetië.

‘Als je verstandig bent, laat je je verdwalen’, dan kom je terecht op plaatsen ‘bewoond door droomfiguren, gekroonde leeuwen, eenhoorns, griffioenen en draken’. Nu en dan probeert de schrijver naar de iconografie te kijken door de ogen van een afgedwaalde Chinese toerist, die niets af weet van de Venetiaanse cultuur en de geschiedenis van het Christendom. ‘Wat ziet hij dan? Een verhaal, zonder enige twijfel, maar wat betekent het?’ Misschien vraagt hij zich af: ‘Wat als die beelden zich allemaal tegelijk van hun sokkel zouden verheffen en in opstand zouden komen?’

Volgens Nooteboom benader je de stad het best over het water, op een vaporetto. Venetianen zijn zeelieden; dat zie je aan ‘de routineuze manier waarop ze het touw op de aanlegsteiger om een paal heen slaan. Deining, beweging, geschommel, het is als een ballet’. Nu en dan krijgt Nooteboom het benauwd en wil hij ontsnappen aan het spinnenweb van nauwe stegen. Door het massatoerisme is Venetië van de hele wereld geworden. Hij voelt de noodzaak stilte op te slaan als proviand. Dan begeeft hij zich naar het licht van de kade om over het eindeloze water te turen. Of hij neemt de vaporetto naar de andere eilanden.

Op café probeert Nooteboom eruit te zien als een stoel of vermomt hij zich als Venetiaan door de Gazzettino voor zijn gezicht te houden. Vervreemding schrikt hem niet af. ‘Onzichtbaarheid is de beste garantie voor waarneming.’ Ook Nooteboom kreunt bij het aanschouwen van de aanstormende legers op de Riva en de compacte, ondoorwaadbare massa bij de Brug der Zuchten. Ook hij stelt vast dat de Venetianen het beu zijn, wegtrekken, buiten de stad gaan wonen, er alleen nog komen om te werken. Hij koestert een ondergangsfantasie: ‘Op de dag dat Venetië onder water verdwijnt zullen alle leeuwen van de stad opstijgen als een dodelijk eskader, nog één keer vliegen ze rond de Campanile met het geluid van honderd bommenwerpers, en verdwijnen dan over de lagune als een machtige zonsverduistering en laten de zinkende stad alleen’.

Misschien is deze reis, die nu al ruim een halve eeuw duurt, voor Nooteboom een mystieke zoektocht, waarin ‘na twijfel, verleidingen en allerlei andere obstakels die de ziel moet overwinnen, het doel bereikt wordt’. Bijna hartbrekend is zijn afscheid van de stad. Hij moet zich losscheuren van de ‘mensendroom op water’, voorlopig nog beschermd door de leeuw. Hij blijft maar achterom kijken. Zijn zoekende ziel is niet verzadigd, zijn verhaal nog steeds niet afgerond.

Cees Nooteboom: Venetie. De leeuw, de stad en het water, De Bezige Bij, Amsterdam 2019, 272 p. ISBN 9n789403121901.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: