
Het verlangen om in een dier te veranderen, om volgens kosmische cycli in de aarde of het water te leven, is de kerngedachte in Hanneke van Eijkens vierde dichtbundel. Hazenklop sluit aan bij een opkomende traditie in de poëzie, die symbiose met de natuur zoekt door oerinstincten en vergeten rituelen ritmisch, welhaast lijfelijk, in taal en klank te vatten. Wat rest ons vandaag nog aan natuurbewustzijn, nu de glazen wand die ooit werd opgetrokken tussen mens en natuur een vrijwel blinde muur is geworden? Van Eijken windt er geen doekjes om: het wilde dier in de hedendaagse mens ligt aan de ketting: ‘We voeren het veel om het rustig te houden’. Hoe zouden we dan niet willen uitbreken om ‘met zware poten door de omgewoelde grond te ploegen’?
In zeven afdelingen verdicht de dichteres de aandrift het wilde dier in zichzelf te ontketenen. Al in de eerste afdeling, ‘Mijn bewegen is een vorm van honger’, voel je de aarde trillen en je lijf meebewegen op het ritme van de verzen. Tegelijk duikt een paradox op: de wilde natuur stelt ons gerust, maar jaagt ook angst aan. We willen ketenen én ons ervan ontdoen. Die paradox weerklinkt in de titel: Hazenklop doet zowel denken aan de voortjagende vlucht van een haas, als aan ons innigste thuis: de levensnoodzakelijke hartenklop. Met die tegengestelde aandriften leren leven, lijkt in deze bundel de boodschap.
Verbinding met de levende natuur begint initieel door een hand op de aarde te leggen, een steen op te tillen om te kijken wat eronder zit, in het eeuwenoude spoor van mythische wezens te treden. Handelingen waarmee wij, moderne mensen, niet meer vertrouwd zijn. Eerder dan het verlangen naar een nomadisch bestaan te volgen, kwamen we tegemoet aan onze behoefte aan verbinding met soortgenoten, beschermende muren om ons heen. Met krachtige, suggestieve beelden zoekt Van Eijken de spanning tussen beide op door het lyrisch ik – enerzijds – de vrije loop te laten: ‘wie rent, blijft rennen/ dus ik ren tot de ochtend opdoemt in mijn kop/ nagels grijpen in de grond/ armen heide spreiden zich voor me uit’; en het – anderzijds – te laten nestelen om de angst te bezweren:
ik ben mijn eigen angstflank, een nachthaas
die een perkamenten pad op rent
oren plat in de nek
onder mij duwt de grond mijn poten
in elkaar, omhoog
Het lyrisch ik hunkert ernaar lang en langzaam te leven, in de aarde of diep in de oceaan onder de zeebodem te kruipen en als een noordkromp pas na vele eeuwen gelezen te worden. Als een volleerd spoorzoeker graaft Van Eijken tunnels in tijd en ruimte. Via taal tracht ze zich dierengewoonten eigen te maken; de cadans, het rituele, het cyclische ervan te vatten. Sporen door water en over land leiden zowel naar het verleden, waar we vandaan komen (‘in mijn schouders resoneren voorouders’), als naar een ongewisse toekomst (‘we zijn een golf in de tijd’). Vers na vers, stap voor stap peilt zoekt het lyrisch ik herkenningstekens en laat de cyclische tijd in zich thuiskomen. Dolend, kronkelend, verre van doelgericht en lineair, beweegt ze zich voort in een niemandsgebied, waar stilte heerst: ‘Nu loop ik door een lijf/ stil als een verdrinking’.
In Hazenklop vloeit de beeldenstroom rijkelijk. De verzen slaan, met de klank van een golfslag op keien, over je heen. Het lyrisch ik toont zich kwetsbaar, ontvankelijk, vertwijfeld. Voortdurend rijzen vragen als: wat is mijn habitat? Kan taal, kunnen klanken een thuis zijn? Kan ik me thuis voelen in duisternis? Wat met oerinstincten, de nood aan herkenningstekens en rituelen? En tot wie of wat moet ik me wenden met al die vragen? De zee, de aarde, de rivier? (Chatbots behoren gelukkig niet tot de mogelijkheden.) In Hazenklop overstemt de vraag het antwoord en hult de weg het doel in duisternis. Toch voelt de bundel aan als een thuis, bijna als een habitat.
Hanneke van Eijken: Hazenklop, Van Oorschot 2025.
Eerder verschenen in Awater 2025-3
Plaats een reactie