Onophoudelijke toestand van rouw

21onpgzyq5l-_ux250_
Olivier Adam

‘Een man staat op een balkon en steekt een sigaret op. Het is nacht. Aan de andere kant van de glazen schuifdeuren liggen vrouw en kind te slapen. De man denkt aan de kindertijd die hij niet heeft gehad. Hij is eenendertig en zijn moeder stierf twintig jaar geleden, op de dag af.’

Zo begint ‘Kliffen’, een autobiografische roman van Olivier Adam. Onheilspellend. De nacht in Êtretat is diep en zwart van de gestalten. Het verleden komt spoken. De schrijver herinnert zich de dag dat ze moeder uit het ziekenhuis gingen ophalen en naar ditzelfde hotel reden, dezelfde kamer betrokken. Hij herinnert zich het felle licht en de zee die lag te schitteren onder de zon, de verblindend witte kliffen. Op de derde nacht voltrok zich het drama. ‘Tegen de buren zei mijn vader dat ze slaapwandelde en ik geloofde hem.’ Olivier Adam was toen elf.

Een vage stroom van beelden brengt Adam terug naar het huis waar ze met z’n vieren woonden, in een grauw stadje op een steenworp van Parijs. Hij kon toen niet vatten wat er met zijn moeder aan de hand was. In het holst van de nacht zag hij haar soms op blote voeten door de straat lopen, zonder ooit te hebben geweten waar ze heen ging. Na haar dood kwam ze hem overdag en ’s nachts opzoeken, in dromen en nachtmerries, herinneringen en hallucinaties. Zijn verdere kindertijd leefde hij in een voortdurend verleden waarin zijn moeder niet dood was, geheel los van het echte leven. De begrafenis van zijn moeder moest hij helemaal alleen doorstaan: broer Antoine viel flauw tijdens de dienst en werd in allerijl naar het ziekenhuis gebracht; vader vergezelde hem. Antoine bleef zes weken in coma. Olivier dacht dat hij deed alsof hij sliep en hij geloofde dat zijn vader dat ook dacht.

Nu voelt Adam zich beschermd door Claire en hun tweejarige dochtertje. Claire maakt nooit opmerkingen over de hoeveelheden alcohol die hij naar binnen giet en die hem staande houden. Er is iets aan de hand met het geheugen van de schrijver. Hij denkt terug aan gestolen herinneringen, dingen die anderen hem vertelden. Bij elke nieuwe episode in zijn leven zet hij al wat voorafging in zijn geheugen op slot. Alsof er daarvoor niets bestond, niets gebeurde. ‘Soms denkt hij bij zichzelf dat het verleden maar een verzinsel is, dat je schoon schip kunt maken, dat je op ruïnes kunt bouwen, dat je kunt leven zonder fundamenten.’

Antoine ging zich na zijn thuiskomst te buiten aan knokpartijen, vandalisme, spijbelen, alcohol en drugs. De broers waren twee handen op een buik. Jarenlang liepen ze op hun tenen voor de woede en de haat van hun verbitterde vader. ‘Terugkijkend heb ik de indruk dat ik nooit iets heb gedaan wat op gelijke hoogte stond als mijn verdriet. Daar zorgde mijn broer voor.’ De broers sloten zich aan bij een bende en hingen rond op parkeerterreinen. Ze smoorden joints, hadden seks met elk meisje in de groep, dronken tequila en luisterden naar The Smiths, The Cure, The Clash. Adam beschrijft zijn jeugdjaren in de marginaliteit. Een grauwe, uitzichtloze en deprimerende wereld ontvouwt zich. Een vriend schoot zich door het hoofd nadat hij in elkaar werd geslagen door zijn dronken vader; Oliviers eerste vriendinnetje werd opgenomen in een instelling om er behandeld te worden voor anorexie. Hij zag haar nooit meer terug. Antoine vluchtte over zee naar het andere eind van de wereld om het dode gewicht van zijn moeder te vergeten.

Olivier verlaat enkele jaren later zwijgend het huis van zijn vader. Hij gaat werken als nachtreceptionist in een goor hotel. De bewoners van het appartement waar hij intrekt zijn immer straalbezopen, seksverslaafd of paranoïde. Zijn marginale leven bestendigt zich dus. Tot hij Claire leert kennen. Zij neemt hem mee naar Lissabon. Daar stort hij in. ‘De sluizen gingen open en het leek wel alsof alles wat klaarlag om te exploderen nu tot uitbarsting kwam, alsof alles wat me had moeten vernietigen, dat nu op topsnelheid deed.’ Adam wordt opgenomen in de psychiatrie.

Jaren later, op het balkon in Êtretat en in de nabijheid van de kliffen waar zijn moeder stierf, denkt Adam na over de verborgen betekenis van zijn leven. Hij leeft in een gewatteerde wereld, verdoofd door alcohol en kalmeringsmiddelen. ‘Ik ben eenendertig jaar en lange tijd was in leven blijven voor mij een dagvullende bezigheid, een programma, een horizon. (…) Ik ken het gewicht van de doden. En ik ken het noodlot.’

Olivier Adam schreef met ‘Kliffen’ een mokerslag van een autobiografische roman. Alles in dit boek ademt troosteloosheid, uitzichtloosheid en lelijkheid. Adams onophoudelijke toestand van rouw is op zijn minst indrukwekkend te noemen. Paradoxaal genoeg is het net die monotone, grauwe wereld die het verhaal schoonheid verleent. Van dit boek word je stil, bedachtzaam. Je bedenkt hoe vergankelijk alles is en hoe kwetsbaar en fundamenteel eenzaam wij mensen zijn. ‘Kliffen’ nestelde zich in mijn hoofd zoals een stervende vogel ooit deed in mijn hand: vol overgave en aanvaardend. Soms komt ‘Kliffen’ wat melodramatisch over door het veelvuldige gebruik van uitdrukkingen als ‘nooit meer’ en ‘laatste keer’. Maar dat heeft een oorzaak en een functie. Adam wist voortdurend dingen uit zijn geheugen en begrenst strikt elke episode in zijn leven. Daardoor beleeft hij zijn herinneringen op een aparte, exclusieve manier. ‘Kliffen’ is een precieus en fragiel boekje om zorgzaam en aandachtig te lezen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: