Alsof er nog tijd rest deze dag

9789029092821_frontWeemoed, verlangen en ironie vloeien samen in Zoveel nabijheid (2018), een prozaïsche dichtbundel van Frans Budé (°1945). Net als in zijn jongste roman De dagen (2017) – een nostalgische terugblik op een gelukkige jeugd – schrijft Budé over wat hem lief is: herinneringen aan een vervlogen tijd. Stilte is nadrukkelijk aanwezig in de intieme bundel. In heldere taal roept de dichter sfeervolle beelden op van plekken waar de tijd lijkt stil te staan. Bespiegelende stukjes over wat hem angst inboezemt (verval en dood) wisselen af met nauwgezette observaties van planten, dieren, landschappen en kunstwerken. Die variatie verleent de bundel kleurrijke context.

In het eerste deel, ‘Ergens op de wereld’, portretteert Budé fictieve plaatsen in zesregelige gedichten. De stukjes deden me denken aan De onzichtbare steden, een roman van Italo Calvino waarin Marco Polo op bloemrijke wijze niet bestaande steden beschrijft aan Koebilai Chan. Budé pakt het soberder aan. Hij vertrekt vanuit een momentopname, een detail, een mijmering. Daarop bouwt hij het idee van een stad of dorp en geeft de plek een cryptische naam. Je vangt niet meer op dan een bescheiden glimp van ‘gedroomde landschappen achter nooit betreden vertes’. Net als Calvino laat Budé de lezer alle ruimte om de plek in zijn verbeelding rustig vorm te geven, want ‘pas morgen daagt de horizon’.

Onder de noemer ‘Een zomer in de Cevennen’ evoceert Budé een plek waar de tijd stilstaat en toch onherroepelijk voorbijgaat. Het is het stervensuur van de oude Philippe. ‘Men wacht op een bericht, kijkt in de spiegel, kamt het haar.’ Niemand spreekt over een ingesleten gewoonte. Het is de angst, de onontkoombaarheid van de tijd die doet twijfelen: ‘Ooit neemt een kille wind alles mee.’ In een volgend hoofdstuk is de dichter te gast in het schildersatelier van Cézanne, aan de voet van Mont Sainte-Victoire. Hij spreekt de kunstenaar rechtstreeks toe, vertelt hem hoe na zijn dood de berg ‘zich even verheft om je te groeten, eenzaam achterblijft, daarna dagenlang vol droefheid zich verschuilt’.

‘Kleine insectologie’ bevat kleurrijke miniaturen van vernuftig gebouwde, sierlijke diertjes als de muskusboktor, de heidelibel en de zandloopkever. Hoe graag zouden ze hun felgekleurde dekschilden, vliesvleugels, steeksnuiten en behaarde achterlijven ruilen voor onzichtbaarheid! Budé schenkt de insecten een naam en een bewustzijn, maakt hun verhaal persoonlijk. In lust gevangen, begeven ze zich waakzaam en tastend in een wereld vol dromen, droefenis en verrukking. Soms vervallen ze in schor gekrijs of vatten een treurzang aan. Van een hartverwarmende schoonheid is het gedicht over Gracia, de steenrode heidelibel:

‘Zie hoe sierlijk de uitgestrekte vleugels afsteken tegen kleine

wolken in het ruim. Men gaat in fluisteren over als de libel

zich startklaar maakt, zich bewust van het oneindige haar intens

verlangen toont en wij, duizelig draaiend om onszelf heen,

geruis aan alle kanten, het begin van de dag ontkennen,

niet willen weten van adembenemende geuren dansend

in golven, als zij opstijgt om verderop te landen, trillend

in de lucht zoekt naar evenwicht, de verte opent naar een stilte

die ons aanstaart, ongewoon – alsof er nog tijd rest deze dag.’

In ‘Voorbij het onbekende’ introduceert Budé de boom als een verhaal dat steeds opnieuw begint, vanuit een ondergronds stelsel van worteldraden waaruit wilskracht groeit. Seizoenen glijden aan de boom voorbij. Met zijn weerbarstige stam en een schors die de grillige schriftuur draagt van striemende hagel, stortregen en brandende zon, wacht hij en wijst ‘omhoog met de schreeuw van een mens, de takken als armen gespreid’.

Een leeg, kaal huis is het decor in ‘Verval’: een plek waar duizend ogen meekijken naar woekerende schimmels op houten planken en glazig licht, waar geuren van kelder en zolder triomferend door lege kamers dwalen, waar een deur scharniert en een gordijn wappert, waar de patronen op het behang zich mengen met onze gedachten. ‘Geen koffie in de kan dan resten drab.’ Op de keukentafel legt iemand het hoofd neer. De voordeur wordt verzegeld. ‘Laten we de pijn verdelen’ zegt iemand. Iets is voorgoed verdwenen.

In het wervelende prozagedicht ‘Orkaan’ laat Budé een eilandbewoner aan het woord. Geheel verloren kijkt hij in het vileine oog van de orkaan Irma en ondervindt het razende, beukende, jankende, fluitende, verwoestende natuurfenomeen aan den lijve. Achteraf doolt hij verdwaasd door de chaos in de straten: ‘deuren gaan langzaam open, onthutste ogen getergd door schrik en pijn staren hem aan’.

Contrasterend daarmee leidt het idyllische ‘De verloren vallei’ je vervolgens het ochtendgloren in:

‘Is er meer schoonheid dan deze vallei die zich straks bij

zonsopgang openstelt, in wakende uren de weg omhoog,

de weg omlaag zachtjes slingeren laat, op windstille dagen

tijdens vogelzang oog en oor streelt van argeloze wandelaars?’

De dichter dwaalt door de vallei, wacht, kijkt, luistert en laat je de eeuwigheid, de gewijde stilte van deze plek voelen: ‘een ruimte die in zichzelf terugkeert en verbergt wat ooit tot stilstand kwam’.

Het laatste deel wijdt Budé aan impressies van kunstwerken en een handvol in memoria, opgedragen aan collega-dichters. Geïnspireerd door beeldend werk van Hans Klein Hofmeijer, vat de dichter het begrip landschap op als een uitgevouwen ruimte, kantelend, ‘nu het licht langs ragfijne lijnen zich naar voren droomt, uitstroomt over akkers, spoelt door het gewas als wasem die zoekend omkringelt voordat hij neerstrijkt achter de horizon’. In het gedicht ‘Schaduw’, naar een collage van Gilbert de Bontridder, kondigt Budé het afscheid aan:

‘Ergens tussen jou en mij zal straks de winter komen.

Onze lippen zullen dichtvriezen, terwijl het licht

zich afkeert, onze hand woordeloos een laatste groet

verbreidt: hoe dat wij willen stijgen, wit, geluidloos,

naakt en wijd het landschap uit, niet vragend naar

wat nakomt, elders – boven welke stenen daar een verte is.’

De bundel eindigt in stilte, het hoofd respectvol gebogen voor overleden dichters. Budé tracht in Zoveel nabijheid de tijd te vertragen, nog even vast te houden, alvorens alles geruisloos uitdooft. Hij schuwt noch verbloemt verval en vergankelijkheid, maar ontwaart ook troost: de dood biedt verlossing van pijn en angst, als een ‘tot een verzwijgen komen’, als een boek dat dichtslaat. Wat blijft? Eerbiedige stilte en veel nabijheid.

Frans Budé: Zoveel nabijheid, Meulenhoff, Amsterdam 2018, 128 p. ISBN 9789029092821.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: