Politiek zonder partijen?

De Frans-Joodse Simone Weil (1909-1943) was een excentrieke, visionaire, mystische filosofe. Door haar volstrekt onafhankelijke denken, paste Weil in geen enkel hokje en was ze voor geen politieke kar te spannen. Weil was niet alleen een denker, ze wilde alles aan den lijve ervaren. Haar sterk ontwikkelde inlevingsvermogen leidde indirect (uit sympathie met de laagste klasse hongerde ze zichzelf uit) tot haar voortijdige dood en haar compromisloze houding veroorzaakte menig conflict met werkgevers. Weils houding tegenover de katholieke kerk (ze was erg gelovig, had in de jaren dertig mystieke openbaringen, maar vond het christendom de religie van de slaven), oorlog (ze was erg pacifistisch ingesteld maar ging meevechten in de Spaanse Burgeroorlog), waarheid en vrijheid, was ambigue. Haar soms paradoxale opvattingen vormen op een fragmentarische manier niettemin een gelaagd geheel, schrijft Alicja Gescinska in het voorwoord van Politiek zonder partijen, een kritisch werkje dat vertrekt van Weils essay Aantekeningen over de algemene afschaffing van politieke partijen (integraal opgenomen in het middendeel van het boek).

Weil stelt vast dat uitbuiting en vernedering in de arbeidersklasse geen revolte of opstandigheid oproepen, maar juist onderwerping en dat de mens in een fabriek gewillig slaaf wordt. Ze wijst het kapitalisme aan als een van de belangrijkste oorzaken van existentiële thuisloosheid in de moderne wereld. Volgens haar holt de obsessie voor geld en groei sociale banden uit. Om te kunnen loskomen van zelfzuchtigheid, eigenbelang en dwalingen, moet de mens eerst leegte scheppen en zichzelf verloochenen om vervolgens die leegte te kunnen vullen met verbeeldingskracht en inzicht (o.a. door zinvol werk te verrichten). ‘Decreatie’ noemt Weil dat. Aandacht is een noodzakelijke voorwaarde bij het proces van decreatie. Compassie en oprechte betrokkenheid kunnen alleen voortvloeien uit aandacht. Net als Rousseau in Du contrat social, pleit Weil voor een strikt rationele benadering bij het inrichten van de samenleving. Collectieve passies zijn voor haar uit den boze. Veel meer dan individuele passies leidden die tot onrechtvaardigheid, misdaad en leugen.

De Frans-Joodse Simone Weil (1909-1943) was een excentrieke, visionaire, mystische filosofe. Door haar volstrekt onafhankelijke denken, paste Weil in geen enkel hokje en was ze voor geen politieke kar te spannen. Weil was niet alleen een denker, ze wilde alles aan den lijve ervaren. Haar sterk ontwikkelde inlevingsvermogen leidde indirect (uit sympathie met de laagste klasse hongerde ze zichzelf uit) tot haar voortijdige dood en haar compromisloze houding veroorzaakte menig conflict met werkgevers. Weils houding tegenover de katholieke kerk (ze was erg gelovig, had in de jaren dertig mystieke openbaringen, maar vond het christendom de religie van de slaven), oorlog (ze was erg pacifistisch ingesteld maar ging meevechten in de Spaanse Burgeroorlog), waarheid en vrijheid, was ambigue. Haar soms paradoxale opvattingen vormen op een fragmentarische manier niettemin een gelaagd geheel, schrijft Alicja Gescinska in het voorwoord van Politiek zonder partijen, een kritisch werkje dat vertrekt van Weils essay Aantekeningen over de algemene afschaffing van politieke partijen (integraal opgenomen in het middendeel van het boek).

Politieke partijen wakkeren voortdurend collectieve passies aan, ze zijn er ook voor bedoeld. Hoe valt dat te vermijden? Eenvoudigweg door politieke partijen af te schaffen, stelt Weil in haar essay. Partijen bestaan bij gratie van collectieve druk op het denken. Propaganda dus. Alleen groei kan die druk opvoeren; ‘alsof de partij een dier is dat vetgemest moet worden’. Een politieke partij wordt uiteindelijk haar eigen doel en loyauteit aan de standpunten van de partij belangrijker dan het individuele nastreven van rechtvaardigheid. ‘Daardoor is elke partij in de kiem en in haar streven totalitair.’ Weil beseft dat de meeste mensen niet reflecteren over totale macht en niet geneigd zijn om bovenstaande toe te geven (dat zouden ze als een persoonlijk falen zien). Niet het verlangen naar waarheid, maar het verlangen naar conformiteit met vooraf geformuleerde stellingen overheerst. Gewenning aan zo’n onnatuurlijke gang van zaken (het is immers onmogelijk dat een individu het met alle standpunten over ontelbare zaken van een partij eens is, zonder tegen zichzelf te liegen) leidt volgens Weil tot afstomping. ‘Men heeft haast het punt bereikt waarop niemand nog zelf denkt, op welk gebied dan ook; men is slechts ‘voor’ of ‘tegen’ een mening. Vervolgens zoekt men argumenten om een van die twee opties te schragen.’ De daad van het partij kiezen vervangt de daad van het denken: dat vat de partijgeest zowat samen.

Kuddementaliteit wordt in de massasamenleving en in de politiek al te vaak beloond. Weil wijst op de gevaren die de almaar uitdijende bureaucratie met zich meebrengt. Iedereen raakt er op de duur verstoken van de macht om de handelen. Als allen even machteloos zijn, hebben we een tirannie zonder tiran. De mens wordt ‘een radertje in een systeem van regels en procedures’. Eens politiek vernauwd raakt tot partijpolitiek, ben je machteloos als je daarbuiten staat. Kortom: de mens moet zich eerst bevrijden van politieke partijen en collectieve wanen, vervolgens aandachtig zijn, zinvol werk verrichten en wachten, om ten slotte de rechtvaardigheid, de waarheid te vinden. Weils vragen en suggesties druisen in tegen alle conventies en prikkelen de verbeeldingskracht in hoge mate. Ze formuleert haar ideeën helder en concreet en vertrekt telkens van het algemene belang voor mens en maatschappij.

Dat beaamt Gescinska volmondig in haar analyse van Weils essay. Maar daar blijft het ongeveer bij. Ietwat krampachtig neemt Gescinska stelling tegen de hele kern van Weils denken door zowat elk punt fel te bekritiseren: Weil argumenteert niet, maar poneert; ze verbindt eenzijdige conclusies aan haar redeneringen; ze laat haar eigen passie in haar pleidooi voor rede zo domineren dat ze niet erg geloofwaardig overkomt; haar ongenuanceerde aannames grenzen soms aan platitudes over politieke partijen; ze belicht niet de positieve aspecten van groepsdenken; ze komt niet echt met een alternatief.

Allemaal enigszins begrijpelijk. Het jammere is echter dat Gescinska werkelijk op geen enkele manier een serieuze poging onderneemt om mee te gaan in Weils aparte denken, los van alle conventies. Gescinska’s vrees dat zo’n onafhankelijke manier van denken tot een andersoortig totalitarisme zou kunnen leiden, schemert voortdurend door. Gescinska erkent het gevaar van de kuddegeest, de neiging tot uniformiteit en conformiteit, met onverschilligheid als gevolg, maar ziet geen heil in ernstige pogingen om van dat groepsdenken af te komen. Weil denkt los van het systeem, Gescinska binnen het systeem. Gretig op elke inconsequentie in iemands denken wijzen lijkt me een beproefde methode om het status quo, het bestaande systeem te verdedigen. Halverwege haar betoog onderkent Gescinska eventjes welwillend de gevaren die Weil aanwijst (conformisme, bureaucratie, gemakzucht, onverschilligheid), om er dan fijntjes op te wijzen dat Hannah Arendt het toch allemaal veel beter vatte en het vervolgens alleen nog over Arendt te hebben. Ja, schrijf dan een boekje over Hannah Arendt, in plaats van over een essay van Simone Weil, denk ik dan.

Erg kort door de bocht en helemaal niet correct, is Gescinska’s verwijt dat Weil antipolitieke sentimenten voedt. Wel integendeel: Weil pleit net voor meer politieke betrokkenheid van elke burger, in woord én daad. In de praktijk ziet ze dat als wisselende affiniteiten tussen mensen rond thema’s en concrete problemen, in plaats van rond politieke partijen. Dat impliceert dat individuele verkozenen ‘zich met elkaar verbinden en van elkaar verwijderen volgens een natuurlijk spel van affiniteiten’. Buiten het parlement om zouden zich kringen kunnen vormen rond filosofische en politieke tijdschriften, maar ook die blijven fluïde. ‘Men begeeft zich in een kring maar behoort er niet toe.’ Er zijn geen formele lidmaatschappen. Het moge duidelijk zijn dat Weil hier met een concreet alternatief komt, maar Gescinska koestert zo weinig sympathie voor Weils dwarsdenken, dat ze alleen tot felle kritiek in staat lijkt.

Simone Weil & Alicja Gescinska: Politiek zonder partijen, Davidsfonds 2023. ISBN 9789022339404 .

Een gedachte over “Politiek zonder partijen?

Voeg uw reactie toe

Geef een reactie op Anoniem Reactie annuleren

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑