Het verhaal van Kafka, altijd en alleen in tegenstrijdigheid.

In de film Franz komt de unieke wereld van Kafka tot leven, zelfs tot bezieling. De (geloofwaardige) acteurs spelen de pannen van het dak. Je wordt niet alleen ondergedompeld, maar Kafka’s wereld in geslingerd. Heftig, magnifiek, onvergetelijk.

In winters Praag, wanneer de duisternis valt en de stemmen in de kroegen verstommen, werpen versteende figuren op gevels in het zwakke licht van lantaarns hun schaduw op de besneeuwde kasseien. Een ontvankelijke wandelaar wordt in de verstilde stad mogelijk gestalten gewaar, die lijken op faunen. Hij ziet dingen die anderen niet zien. Hij hoort liturgisch gezang opklinken – in de vertrouwde werkelijkheid misschien slechts het geluid van een golfplaat, bewogen door de wind.

Vandaag kan je Franz Kafka nog steeds tegenkomen in Praag: een zwijgzame schim, gehuld in een ruime jas, alleen, aandachtig, kuierend in straten en plantsoenen, of net om de hoek verdwijnend.

Niet enkel zijn onnavolgbare werk, ook zijn zoekende geest en nobele inborst spreken lang na zijn dood tot de verbeelding. Bovenvermeld postuum treffen zou overigens niet misstaan in Kafka’s nagelaten geschriften, waarin het wemelt van dergelijke ontmoetingen tussen andersoortige wezens in een herkenbare omgeving.

Franz Kafka (1883-1924) groeide op als oudste van zes kinderen in een Duitssprekend Joods gezin in Praag. Fysiek en qua aard leek hij op zijn moeder: een wijze, bescheiden, wat wereldvreemde vrouw. Zijn leven lang zou hij echter in de schaduw blijven van zijn imposante en extraverte vader, slager van beroep. Kafka kende een eenzame jeugd. Hij was melancholisch, trok zich het liefst terug in zijn kamer, las en schreef veel. Hoewel zijn hart bij de literatuur lag, deed hij wat van hem werd verwacht en studeerde in 1906 af als doctor in de rechten, waarna hij als ambtenaar in het verzekeringswezen aan de slag ging. Broodwinning en schrijfkunst hield hij strikt gescheiden. Overdag werkte, ’s nachts schreef hij.

Het ‘zelf’ heeft bij Kafka veel weg van een labyrint: een droomachtige entiteit vol gangen en (verborgen) deuren, waar de uitgang ongewis blijft, maar mogelijkheden talloos zijn. Elk (doodlopend) gangetje kan bewandeld en onderzocht worden. Met grote finesse, vaak erg geestig, beschrijft Kafka in zijn verhalen de doorgaans korte confrontaties tussen zijn excentrieke personages, elk met zijn eigenaardige gewoonten en liefhebberijen.

Kafka schreef vooral ’s nachts, wat het plotse afbreken van zijn verhalen (deels) kan verklaren. In een schemertoestand tussen slapen en waken, lijkt de wereld op een droom, een onwerkelijk decor waarin levende wezens en dingen hun contouren verliezen en ongemerkt in elkaar overvloeien. De afgebroken fragmenten prikkelen de verbeelding. Spontaan voegt de lezer ontbrekende stukjes toe, waardoor hij bij wijze van spreken meeschrijft aan het verhaal. Het is onmogelijk, zinloos ook, om te achterhalen wat Kafka werkelijk bedoelde. Zijn werk was niet bedoeld voor een publiek. Hij schreef uit noodzaak, louter voor zichzelf, in een poging zichzelf te bevrijden.

Doorgaans wordt in de verhalen een ik zonder enige voorgeschiedenis op een willekeurig moment in zijn bestaan tegenover een jij, hij of zij geplaatst. In een sequentie van verstarde beelden raken de personages onderling verwikkeld in iets wat het midden houdt tussen spel en gevecht. Kafka verkent zo de oogpunten van diverse subjecten en verbeeldt telkens vluchtig hun morele dilemma’s, zonder opvallende metaforen te gebruiken.

Kafka drijft de vervreemding tot het uiterste. Enerzijds is alles in beweging, badend in licht en heerst er een herkenbare drukte vanjewelste; anderzijds is het dodelijk stil, is het ‘zelf’ volmaakt eenzaam en hangt er een onaardse dreiging. Hij speelde meer met beelden dan met woorden. Zijn taal is glashelder, kernachtig en verbluffend precies, zijn beelden daarentegen zijn complex, duister en vaag. Dat resulteert in een clair-obscur waar het licht van de symboliek en het duister van de realiteit, het alomvattende en het kleinste detail in volmaakte harmonie zijn.

Nogal wat Kafka-adepten hebben een vertekend beeld van de schrijver. Menigeen ziet hem als een treurige, vertwijfelde mens, maar het tegendeel is waar, getuigt Max Brod. Brod heeft ervoor gezorgd dat we Kafka überhaupt kunnen lezen, door voorbij te gaan aan diens uitdrukkelijke wens om al zijn onuitgegeven manuscripten na zijn dood te verbranden. In zijn Kafka-biografie licht Brod, als beste vriend van de schrijver, het een en ander toe omtrent ’s mans persoonlijkheid. Zo wijst hij erop dat Kafka bruiste van de ideeën, veel gevoel voor humor had, loyaal, consciëntieus en waarachtig was, een grote belangstelling koesterde voor al wat vernieuwend was (van natuurgeneeskunde, over vegetarisme, tot Montessori-onderwijs) en totaal geen interesse had in decadentie. Kafka leefde sober en glimlachte slechts ‘om de dwaasheden van deze wereld’.

De talrijke kwaliteiten van zijn vriend hadden ook een keerzijde, merkt Brod op. Hypergevoeligheid, hypochondrie, slapeloosheid en angst (voor spiegels, voor binding, voor de werkelijkheid) speelden hem parten. Hoewel Kafka heel eenvoudige wensen had in het leven: een huis, een vrouw, een kind, zat hij zodanig gevangen in schuldbewustzijn, verantwoordelijkheidszin en onvervulbare idealen, dat hij er niet in slaagde ook maar een van die wensen te realiseren. Nooit zocht hij een beschermend asiel: niet in de leugen, niet in de overtuiging, niet in de geestdrift. Hij zat dermate vol tegenstrijdigheden dat hij ook voor zichzelf moeilijk te vatten viel.

Kafka was vleesgeworden psyche, immer op zoek naar spirituele vervulling en met een onstuitbare scheppingsdrang. In zijn hoofd zat een enorme wereld, die hij alleen in zijn schrijven realiseerde. Hoewel de hybride personages in zijn verhalen almaar zoekend zijn, kruipend, ingesloten soms, houden ze altijd stand. Ook in Kafka’s tekeningen: geabstraheerde beelden, eenvoudige schetsen zonder enige esthetische ambitie, toont zich die spanning, dat conflict. Figuren hellen vervaarlijk over, zweven in het ijle, gaan door een deur, botsen op een muur. Kafka, evenwichtskunstenaar bij uitstek, plaatst de lezer tegelijk binnen en buiten het labyrint van zijn wezen, gedoemd om eeuwig langs een muur zonder in- of uitgang te lopen, niet in staat er werkelijk toe door te dringen, noch eruit te ontsnappen.

Geef een reactie

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑